ECLI:NL:PHR:2012:BY9291
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Stap-down regeling bij immigratie aanmerkelijkbelanghouder in strijd met vrijheid van vestiging
Belanghebbende, een Belgische nationaliteit houdende dierenarts, was tot april 2006 woonachtig in België en hield alle aandelen in een Nederlandse BV. Deze aandelen werden overgedragen aan een Belgische BVBA waarvan hij alle aandelen hield. Na immigratie naar Nederland stelde de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen in de BVBA vast met toepassing van een 'step-down' regeling, waarbij de waardeaangroei van de aandelen in de Nederlandse BV werd afgetrokken.
De Rechtbank Breda verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde de verkrijgingsprijs vast op de waarde in het economische verkeer zonder toepassing van de step-down. De Staatssecretaris stelde sprongcassatie in tegen dit oordeel. De kern van het geschil betrof de vraag of de step-down regeling in strijd was met artikel 43 EG Pro-Verdrag (vrijheid van vestiging).
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de step-down regeling een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging omdat immigratie leidt tot hogere belastingheffing dan zonder grensoverschrijding, terwijl geen sprake was van misbruik. Tevens oordeelde hij dat de regeling strijdig is met de goede verdragstrouw omdat Nederland belasting heft over een voordeel dat volgens het belastingverdrag aan België toekomt. De conclusie was dat het beroep van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard.
De zaak omvatte een diepgaande analyse van de toepasselijke nationale wetgeving, het Uitvoeringsbesluit IB 2001, het belastingverdrag Nederland-België, en relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. De step-down regeling werd gezien als een maatregel die niet beperkt is tot gevallen van belastingontwijking en daardoor onrechtmatig is volgens Europees recht.
Uitkomst: De step-down regeling bij immigratie is in strijd met de vrijheid van vestiging en goede verdragstrouw en wordt buiten toepassing gelaten.