Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van de
Rechtbank te Bredavan 25 november 2011, nr. AWB 09/5014, betreffende een aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) gerichte beschikking als bedoeld in artikel 4.36 van de Wet IB 2001.
Hoge Raad
Belanghebbende, met de Belgische nationaliteit, was tot 11 april 2006 woonachtig in België en had een direct aanmerkelijk belang in een Belgische vennootschap Beheer BVBA en een indirect aanmerkelijk belang in een Nederlandse BV via Beheer. Na immigratie naar Nederland stelde de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen Beheer vast met toepassing van een step-down, waarbij de waardeaangroei van de aandelen in de BV tot de datum van verkoop aan Beheer werd verminderd.
De Rechtbank te Breda verklaarde dit onterecht en vernietigde de beschikking van de Inspecteur, omdat toepassing van de step-down volgens de rechtbank in strijd was met het beginsel van vrije vestiging en het EU-recht (artikel 49 VWEU Pro). De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de delegatiebepaling in artikel 4.25, lid 4, Wet IB 2001 en het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 slechts van toepassing zijn op gevallen waarin de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of het aandelen betreft van een in Nederland gevestigde vennootschap.
Omdat belanghebbende niet eerder in Nederland had gewoond en Beheer op immigratiedatum in België was gevestigd, is de step-down niet van toepassing. De verkrijgingsprijs moet worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer op het moment van immigratie. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en deze wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat geen step-down toegepast mag worden bij immigratie van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren.