Conclusie
eerste middelhoudt in dat het Hof, door het vonnis deels te bevestigen, heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het afwijkt van het in hoger beroep gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte de tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd, omdat hij geen bestuurder is geweest en dat de betreffende verbalisanten vanuit de positie waarin zij zich bevonden zulks ook niet zouden hebben kunnen waarnemen.
tweede middelbehelst de klacht dat de bewijsmiddelen in zoverre niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring dat daaruit niet kan volgen dat aan verdachte door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, aanhef en onder a WVW, althans dat de bewijsmiddelen in dat opzicht tegenstrijdig zijn.
derde middelhoudt in dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat het ten aanzien van de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening heeft gehouden met een volgens het Hof in het uittreksel van de justitiële documentatie van 24 augustus 2011 voorkomende transactie voor rijden onder invloed van alcohol, terwijl uit het desbetreffende uittreksel niet van een dergelijke transactie zou blijken.
De verdachte heeft geweigerd een bevel tot medewerking aan een ademanalyse op te volgen. Dergelijke regels zijn opgesteld ten behoeve van de bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. De ademanalyse strekt ertoe te kunnen vaststellen of, en zo ja, in welke mate door een bestuurder onder invloed van alcohol is gereden en de uitslag daarvan is mede van belang voor de bepaling van de op te leggen straf. Door niet mee te werken aan dit onderzoek kan de verdenking niet nader worden geconcretiseerd en moet daarom in beginsel ervan worden uitgegaan dat de hoogste strafcategorie wordt toegepast.