V: Hoe komt het eigenlijk dat jij verbrand bent [slachtoffer]
L: Omdat ik in brand ben gestoken
V: Hoe is dat gegaan
L: Terpentine over mij heen gekregen en daarna aangestoken.
Ik woonde bij [verdachte]. Hij zat te wachten op geld want ik zat daar vanaf maandag. Ik was op een dag gekomen want hij hoorde dat ik een kamer zocht omdat ik buiten sliep. Toen heb ik ja gezegd tegen die kamer. Ik had gezegd dat ik nog geen geld had. Op vrijdag de vierde hoorde ik mijn geld te krijgen, maar ik kreeg het niet. Toen hoorde ik van iemand: "Er is nog een schuurtje over". Ik ben daar toen één nacht gaan slapen. De volgende dag zat hij bij het Diaconaal Aandachtcentrum te wachten. Hij vroeg waar ik had geslapen en toen zei ik "nou, ik heb een of ander schuurtje gevonden". Hij stond erop dat ik terugkwam. Ik dacht, ik ga niet terug. En toen was het zoiets van vijf voor half vijf, dat hij dus in ene keer bij mij was in het schuurtje. Want ze hadden mij gevonden via mijn fiets. Die hadden ze gezien. En toen had ie mij gevonden. Toen zat ie te zeuren over dat ik wel geld had en alles. Ik zeg "ik heb helemaal niks". Dus ik zeg op een gegeven moment "kijk dan in mijn spullen". Ik kreeg een rotduw. Ik viel achterover en toen zat ik op de grond. Plus er was nog een meisje bij, [getuige 1]. Die [getuige 1] was al eerder naar mij toe gekomen. En daarna is hij gevolgd. Die twee waren die dag ook bij elkaar. [getuige 1] heeft later die terpentine aan hem doorgegeven. Toen hij geen geld had gevonden wou hij mijn fietssleutels. Ik ging die sleutels niet geven. Toen heb ie dus, terwijl ik op de grond zat, met die terpentine over de spullen gegaan en in brand gestoken. En toen zei ie "we nemen de fiets mee". En toen hebben ze met z'n tweeën die fiets opgetild en iets verderop gezet. En toen zijn ze teruggekomen, hebben mij in brand gestoken. En toen zijn ze weggelopen. Toen ben ik op de grond gaan rollen om dat vuur uit te krijgen en keihard gaan gillen. Toen zei een vreemde jongen "lig stil, lig stil". Toen heb ik mijn broek en alles uitgetrokken. En één keer komt die jongen aanlopen en die heeft gelukkig gebeld naar 112. Toen moest ik onder de steenkoude kraan. Ondertussen is de ambulance gekomen. Toen werd er nog gevraagd of ik wist wie die figuren waren die dat gedaan hadden. Nou en toen heb ik die namen opgezegd. En van haar ook. Zij heet [getuige 1]. Toen moest ik op de brancard gaan liggen. Vanaf dat moment ben ik alles kwijt.
V: Ik heb wat foto's bij me en die zal ik je laten zien.
Opmerking: Er wordt aan [slachtoffer] een foto getoond
L: Ach .... [getuige 1]
V: Dat is [getuige 1]?
L: Ja
V: Je hebt net met mij gesproken over eh..een [getuige 1], die bij de brand was.
L: Ja, zij.
V: Ja, dat is zij? (wijst naar de foto)
L: Ja.
Opmerking:
Verhoorder pakt een foto en toont deze aan [slachtoffer]
L: Ja, dat is hij. Dat is die [verdachte]
V: En waar ken jij...
L: Nou die is dus naar mij toegekomen voor die kamer waar ik met mijn stomme kop 'ja' tegen heb gezegd. En dat is zijn geld wou en die ik niet had en dat hij daarna mij in brand had gestoken.
V: Wie wisten er eigenlijk allemaal dat jij in dat schuurtje ging slapen
L: Niemand
V: Met wie verbleef je daar
L: Ik was altijd alleen, totdat die [getuige 1] mij had gevonden.
V: Toen heb ik gezegd "kom maar binnen" en nog geen vijf minuten later of zo stapte die [verdachte] er in een keer ook naar binnen.
V: Over welke dag praten we dan
L: 5 december
V: Okay
L: Er was zo'n milieubox, die stond daar. Daar zat dus terpentine in. [getuige 1] heeft die terpentine gezien en aan hem gegeven.
V: Hoe ging dat toen verder
L: Op een gegeven moment gaf ie een duw en ben ik dus gevallen. En toen is ie dus die terpentine zo, over de spullen en een vuurtje erbij. Toen is met [getuige 1] naar buiten gelopen en toen hebben ze samen die fiets opgepakt.
V: Wat zei hij in het schuurtje tegen jou.
L: Hij was het zat dat ik dus geen geld had. Alleen het enige wat ie zei was "ik neem je fiets mee". Ja en [getuige 1] heeft toen die terpentine aan hem gegeven. Daar is ie mee teruggekomen om daarna nog mij in brand te steken in plaats van alleen mijn spullen.
V: Je vertelt tegen mij van [verdachte]. Waar laat hij die fles als hij jouw spulletjes in de fik...
L: Die had ie in de hand.
V: En wat deed ie daar toen mee
L: Die hield ie in zijn hand.
V: Ook toen ze weggingen naar jouw fiets
L: Ja
V: Waar was jij toen
L: Ik stond eerst in dat schuurtje. Toen ben ik uit het schuurtje gegaan en gezegd "Mijn fiets" maar ik kon niets doen. Toen zijn ze weggegaan met mijn fiets. Vlak daarna kwam ie weer terug en toen schoot ie dus op mij af en toen heeft ie "Oh shit, over mij heen gegoten" en gelijk mij in de brand gestoken.
V: wat kon jij van [getuige 1] zien op dat moment.
L: Ik zag alleen wat hij deed. Ik stond in een klap in brand.
V: Je vertelde ook dat de aansteker waarmee hij jouw spullen in de fik stak, dat was jouw aansteker
L: Mijn aansteker ja
V: En de aansteker waarmee hij jou in de fik heeft gestoken
L: Gewoon mijn aansteker, want hij had geen aansteker.