Conclusie
Milau Beheer B.V.,
1.Feiten en procesverloop
grievenzijn alle gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van benadeling.
onverplichtis verricht, waardoor haar schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld, terwijl de schuldenaar (ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling) wist of behoorde te weten dat de betreffende rechtshandeling tot benadeling van schuldeisers zou leiden (rov. 10).
2.Beoordeling van het cassatieberoep
verweeraangevoerd dat het cassatiemiddel in zijn geheel faalt wegens gebrek aan belang. Daartoe wordt erop gewezen dat het hof in rov. 12 (ten overvloede) heeft geoordeeld dat
“niet kan worden aangenomen dat [eiser] met het verlenen van die koopoptie is benadeeld.”[verweerster] betoogt dat het hof met ‘die koopoptie’ doelt op de (door de eerste en de tweede aanvulling recht tot koop)
aangevuldekoopoptie, die heeft geresulteerd in de koopovereenkomst. Met zijn oordeel dat die koopoptie niet tot benadeling heeft geleid, onderschrijft het hof (klaarblijkelijk) het oordeel van de rechtbank dat de gehele transactie niet tot benadeling heeft geleid. [13] Het oordeel (in rov. 12) dat geen sprake is van benadeling (in de zin van art. 3:45 BW Pro) is in cassatie niet bestreden. Nu dat oordeel de beslissing van het hof dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd, zelfstandig kan dragen, falen de klachten wegens gebrek aan belang, aldus [verweerster].
“de koopovereenkomst”gevorderd. Nadat hem was gebleken dat er voorafgaand aan de koopovereenkomst ook een koopoptie en twee aanvullingen op deze koopoptie waren overeengekomen, heeft hij bij conclusie van repliek zijn eis gewijzigd en in het petitum vernietiging gevorderd van
“de rechtshandelingen bestaande in het recht van koop, de eerste aanvulling recht tot koop, de tweede aanvulling recht tot koop en de koopovereenkomst.”Dit petitum, dat aldus geformuleerd lijkt te strekken tot vernietiging van vier afzonderlijke rechtshandelingen, sluit naadloos aan bij het geuite voornemen de eis te vermeerderen “in die zin dat niet slechts vernietiging van de koopovereenkomst wordt gevorderd, doch ook vernietiging van de koopoptie, de eerste en de tweede aanvulling op de overeenkomst van recht tot koop”. [15] Het petitum sluit echter niet zonder meer aan bij de (primaire) stellingname, tezelfdertijd, dat het
samenstel/complexvan de vier overeenkomsten is aan te merken als
één onverplichte rechtshandeling. [16] Ofschoon bij de toepassing van art. 3:45 BW Pro inderdaad verschillende rechtshandelingen als één complex kunnen worden beschouwd [17] , blijkt uit de stellingen niet zonneklaar dat vernietiging op die grondslag daadwerkelijk wordt verlangd: in de conclusie van repliek wordt niet systematisch uitgewerkt welk onderdeel van het complex (welke van de vier rechtshandelingen) welk vereiste ex art. 3:45 BW Pro vervuld doet raken. [18] Evenmin wordt echter uitgewerkt – voor het geval vernietiging van vier afzonderlijke rechtshandelingen wordt verlangd – dat elk van de vier rechtshandelingen voldoet aan alle vereisten van art. 3:45 BW Pro. [verweerster] heeft de vordering in eerste aanleg aldus opgevat dat zij strekt tot vernietiging van alle rechtshandelingen afzonderlijk en heeft daarom per rechtshandeling aan alle vereisten van art. 3:45 BW Pro getoetst. [19]
betoogddat zijn eis aldus moet worden gelezen” – lijkt er veeleer op te duiden dat het hof het oog heeft op een feitelijk herschrijven c.q. herstel van het petitum. Maar ook indien moet worden uitgegaan van een (juridische) wijziging van eis, volgt uit het vervolg van de overweging – “althans niet heeft betoogd dat zijn eis aldus moet worden
gelezen” – dat de bestreden vaststelling niet dragend is voor de beslissing van het hof omtrent de uitleg van het gevorderde.
subonderdeel 1.3is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, waarom en in hoeverre het hof aan het enkele feit dat [verweerster] de vordering (primair) in een bepaalde zin heeft opgevat, (kennelijk) betekenis toekent voor de uitleg van de vordering van [eiser] in hoger beroep op dit punt, zulks te meer nu [verweerster] bij een andere uitleg niet in haar belangen wordt geschaad. In de toelichting (onder 3.2.13) wordt in dit verband opgemerkt dat [verweerster] zich in twee instanties heeft verweerd tegen de vordering tot vernietiging van alle rechtshandelingen.
Subonderdeel 1.4komt op tegen de betekenis die het hof toekent aan de omstandigheid dat [eiser] na de memorie van antwoord niet heeft betoogd dat zijn eis in ruime zin moet worden gelezen. Aangevoerd wordt dat er voor [eiser] geen aanleiding was om ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi zijn vordering te verduidelijken, aangezien [verweerster] reeds (subsidiair) verweer had gevoerd.