Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Eiseres tot cassatie – hierna te noemen DVB, van wie indirect de bestuurders zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] – en verweerster in cassatie – hierna te noemen De Raadslijn, verlener van juridische diensten aan de sector Midden- en Kleinbedrijf en van wie [betrokkene 3] de bestuurder is – hebben in de periode november 2008 tot en met maart 2009 per email en mondeling overleg gevoerd over een samenwerking. Het overleg vond daadwerkelijk tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] plaats.
- ii) [betrokkene 3] heeft voor de eerste maal op 8 december 2008 een concept-overeenkomst aan [betrokkene 1] gezonden en vervolgens met aanpassingen een concept op 22 december 2008 en een concept op 23 maart 2009.
- iii) Op 4 maart 2009 zendt eerst [betrokkene 3] een e-mailbericht aan [betrokkene 1] met daarin onder meer de mededeling:
- iv) Op 20 april 2009 laat [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] per e-mail weten:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [1] )
( [2] ). In het betrokken geval was de partij die met een Antilliaanse vennootschap een overeenkomst had gesloten, ervan op de hoogte dat de directeur van de Antilliaanse vennootschap vanwege een regeling binnen de vennootschap niet bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan. Ook al had die regeling rechtens slechts interne werking in die zin dat een beroep op die regeling tegenover derden rechtens niet toelaatbaar was, toch hoeft dat niet er aan in de weg te staan, aldus de Hoge Raad, dat degene die de NV aan de overeenkomst hield, daarmee in de gegeven omstandigheden van het geval in strijd met de goede trouw handelde. Door de Hoge Raad wordt als een van belang zijnde omstandigheid beschouwd dat de betreffende partij zelf bij het opleggen van de bevoegdheidsbeperking aan de directeur betrokken was geweest.