AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt kwalificatie van verhuurde kunstwerken als hoofdzakelijk ter belegging dienend
Belanghebbende verhuurt kunstwerken aan een museum en betwist dat deze kunstwerken hoofdzakelijk ter belegging dienen zoals bedoeld in artikel 5.8 Wet IB 2001. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van beleggen, maar het hof stelde dat door verhuur de kunstwerken rendabel worden gemaakt en daarom als belegging kwalificeren.
De Hoge Raad toetst deze beoordeling aan de parlementaire geschiedenis en wetsgeschiedenis, waarin is vastgesteld dat de vraag of een kunstvoorwerp hoofdzakelijk ter belegging dient, afhangt van aard, hoeveelheid, waarde, gebruik en vooral de intentie van de belastingplichtige. Verhuur tegen een niet onzakelijke prijs impliceert doorgaans een beleggingskarakter.
De Hoge Raad concludeert dat het hof een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven dat de verhuur niet kan worden opgevat als ter beschikking stellen voor culturele of wetenschappelijke doeleinden. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die het beleggingskarakter van de verhuur ontkrachten. Het beroep in cassatie wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de kunstwerken worden als hoofdzakelijk ter belegging dienend aangemerkt.
Voetnoten
1.Inspecteur Belastingdienst/[P].
4.Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 232-233.
5.Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 240.
6.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 239–240, 519.
7.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 243.
8.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 245-246.
9.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 240-241, 254-257.
10.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 8, p. 53.
11.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 17, p. 131, 132, 134, 135-136,136-137.
12.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 18, p. 42. Zie ook Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 256: ‘Het voornemen bestaat om de bewijslastverdeling in artikel 5.2.2 [thans art. 5.8] alsmede artikel 5.2.3 [thans art. 5.9] op eenzelfde wijze te regelen als voor roerende zaken in eigen gebruik, teneinde aan te sluiten bij de systematiek van artikel 5.1.3 [thans art. 5.3], tweede lid, onderdeel c. Voor wat betreft de bewijslastverdeling in de vrijstelling van voorwerpen van kunst en wetenschap betekent dit, dat de bewijslast inzake de beleggingstoets voortaan op de inspecteur in plaats van op de belastingplichtige rust.'
13.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 89, p. 14-15.
14.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 115, p. 30-31.
15.Handelingen II 1999/2000, nr. 42, p. 3187–3188.
16.S.J.C. Hemels, Door de muze omhelsd, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 140–144. Zie ook S.J.C. Hemels, Fiscale kunsten: belastingheffing over kunst in de Wet inkomstenbelasting 2001, WFR 2002/6469, p. 274-280.