Conclusie
1.Voorgeschiedenis
( [1] ), had zich tegen de toelating van [verweerder] tot de schuldsaneringsregeling verzet.
“voor het geval dat op 7 augustus 2013 nog geen mondeling arrest gewezen was in deze zaak en Uw Raad daarom resp. in verband daarmee oordeelt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn bij het eerste rekest ingestelde cassatieberoep.”
2.Bespreking van het op 15 augustus 2013 ingestelde cassatieberoep
“Gedurende acht dagen na het arrest van het gerechtshof kan de daarbij in het ongelijk gestelde partij in cassatie komen.”Het arrest vormt de ‘uitspraak’ waarop in het vierde lid van art. 351 Fw Pro wordt gedoeld. Daar is bepaald:
“De uitspraak vindt niet later plaats dan op de achtste dag na die van de behandeling van het verzoekschrift ter terechtzitting.”Zoals hierboven in 1.5 al vermeld, heeft de voorzitter aan het eind van de mondelinge behandeling van het hoger beroep, dat verzoeker tot cassatie tegen het vonnis d.d. 7 mei 2013 had ingesteld, meegedeeld dat de schriftelijke uitspraak op 15 augustus 2013 volgt, en is die uitspraak in de vorm van een arrest uiteindelijk op 22 augustus 2013 gedaan. Hoezeer daarbij de in lid 4 van art. 351 Fw Pro vermelde acht dagen-termijn niet is gerespecteerd, is het op 22 augustus 2013 uitgesproken arrest te beschouwen als het arrest als bedoeld in het vijfde lid van art. 351 Fw Pro en daarmee als het arrest waartegen het cassatieberoep dient te worden ingesteld. Tegen deze achtergrond bezien, is de mededeling van de voorzitter op de mondelinge behandeling dat besloten is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, niet op te vatten als het in art. 351 lid 4 Fw Pro bedoelde arrest maar slechts als een mededeling omtrent wat het hof voornemens is om in het nog te wijzen en uit te spreken arrest te beslissen omtrent het ingestelde hoger beroep. Een en ander brengt mee dat het op 15 augustus 2013 ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk is en geen inhoudelijke behandeling behoeft. Voor dit laatste bestaat temeer geen aanleiding, omdat verzoeker tot cassatie het beroep heeft ingetrokken voor het geval op 7 augustus 2013 geen mondeling arrest gewezen is. Dat is het geval. Nu [verweerder] in cassatie niet is verschenen, bestaat er ook geen aanleiding om te zijnen behoeve een kostenveroordeling in verband met het op 15 augustus 2013 ingestelde cassatieberoep uit te spreken.
3.Bespreking van het op 30 september 2013 ingestelde cassatieberoep
eerste rechtsklacht– te vinden op blz. 8 van het verzoekschrift tot cassatie d.d. 30 augustus 2013 – houdt in dat het hof heeft miskend dat het verzoekschrift waarmee op de voet van artikel 355 Fw Pro hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank tot verlening van de schone lei geen gronden hoeft in te houden waarop het in dat verzoekschrift opgenomen verzoek stoelt.
tweede rechtsklacht– te vinden op blz. 8 en 9 van het verzoekschrift tot cassatie d.d. 30 augustus 2013 – is het uitgangspunt dat ook in het verzoekschrift waarmee hoger beroep wordt ingesteld tegen de verlening door de rechtbank van de schone lei, gronden dienen te worden opgenomen waarop het beroep berust. Maar, zo is de klacht te verstaan, het hof heeft miskend dat aan die gronden niet de eisen mogen worden gesteld als aan die bedoeld in artikel 359 Rv Pro, die nl. van een ‘zwaarder kaliber’ zijn.
derde rechtsklacht– te vinden op blz. 9 en 10 van het verzoekschrift tot cassatie d.d. 30 augustus 2013 – behelst dat het hof heeft miskend dat een beroepsgrond niet met zoveel woorden als grief hoeft te worden aangeduid, dat de mate van bepaaldheid die voor aan te voeren grieven dient te worden aangehouden van de omstandigheden van het geval afhangt, en dat ook een onjuiste grief een grief vormt. Ook deze klacht gaat niet op. Uit het arrest valt niet af te leiden dat het hof een en ander miskend heeft; die miskenning wordt ook niet nader toegelicht en aangetoond.
( [2] )De vraag of het hof in het bestreden arrest voor het overige wel of niet voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe het tot zijn oordeel is gekomen dat er in het beroepschrift van 14 mei 2013 geen beroepsgronden zijn opgenomen, komt bij onderdeel II aan de orde.
“Dit betoog kan evenwel niet slagen. Het hof is van oordeel dat punt 1 tot en met 7 een weergave is van (een deel van) de feiten. Onder punt 7 staat een aantal criteria vermeld die van toepassing zijn bij tussentijdse beëindiging en bevat niet een beroepsgrond zoals [verweerder] ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd.”Dit oordeel in rov. 3.8 wordt in onderdeel II als onbegrijpelijk en/of onvoldoende toereikend gemotiveerd bestreden.
“Schuldeiser beschikt thans nog niet over het vonnis van de rechtbank, waarbij ten aanzien van de saniet de zogenaamde ‘schone lei’ is verleend. Om deze reden stelt schuldeiser zich op het standpunt dat een uitzondering dient te worden gemaakt op het wettelijk voorschrift dat het beroepschrift de beroepsgronden waarop het berust dient te bevatten.”Zeker in het licht van deze opmerking is zeer wel te begrijpen dat het hof dat wat in het beroepschrift onder 1 t/m 7 naar voren wordt gebracht niet (mede) opvat als een – nog aan te vullen – opsomming van beroepsgronden maar enkel als een weergave van feiten en, voor wat betreft het onder 7 gestelde, ook als een vermelding van een aantal criteria die van toepassing zijn bij een tussentijdse beëindiging. De geciteerde opmerking geeft immers aan, althans laat zich zeer wel aldus verstaan, dat met hetgeen in 1 t/m 7 wordt gesteld nog niet beoogd wordt beroepsgronden aan te voeren, zeker nu als reden wordt gegeven dat het vonnis nog niet beschikbaar is. In het licht van die geciteerde opmerking kan het onder 8 van het beroepschrift eveneens gemaakte voorbehoud van het recht
“om de gronden van beroep aan te vullen”worden begrepen als een mededeling, dat de beroepsgronden alsnog zullen worden aangevoerd nadat de beschikking over het vonnis d.d. 7 mei 2013 van de rechtbank is verkregen.