Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
4. Deelnemingsvrijstelling
3.Het geding in cassatie
4.HR BNB 2013/177: (geen) resultaatcompartimentering na wetswijziging
5.Het overgangsrecht ex art. VIII Wet Werken aan winst
quod non, faalt.
6.Waardering van vrijgestelde deelnemingen naar goed koopmansgebruik?
curs.in origineel):
timing-beginselenzoals het realisatie-, het matching- en het voorzichtigheidsbeginsel) eraan in de weg staan om dit begrip (ook) normatief te achten voor de waardering van vrijgestelde deelnemingen. De waarde(mutaties) van dergelijke deelnemingen beïnvloedt (beïnvloeden) immers de omvang van de totaalwinst niet, laat staan de omvang van de jaarwinst die een afgeleide is van de omvang van de totaalwinst. Dit standpunt lijkt voor de Hoge Raad echter - gezien zijn oordeel in HR 14 juni 1978, nr. 18 405, BNB 1979/181 - een brug te ver. Dat is merkwaardig. Dezelfde Hoge Raad hanteert immers bij de invulling van het begrip goed koopmansgebruik
timing-beginselendie slechts betekenis kunnen hebben bij het bepalen van de omvang van de (belaste) jaarwinst.
geïmporteerddoor de verwijzingsbepaling in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, welke bepaling vóór de in artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgenomen deelnemingsvrijstelling staat. Het lijkt mij weinig overtuigend om de systematiek van een wet enkel en alleen af te leiden uit de volgorde van de in deze wet opgenomen bepalingen, tenzij de wet bepaalt dat aan deze volgorde consequenties zijn verbonden voor de uitleg van de wet (zoals bijvoorbeeld art. 2.14, eerste lid , Wet IB 2001 bepaalt). Dit bezwaar geldt temeer omdat artikel 8, eerste lid , van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verwijst naar van aard verschillende bepalingen, namelijk niet alleen naar bepalingen die de jaarwinst betreffen, maar ook naar bepalingen die de totaalwinst betreffen. Kortom, het standpunt van Cornelisse mist naar mijn mening een solide onderbouwing. Lubbers en Van Scharrenburg volgen eveneens de lijn van de Hoge Raad. Zij menen dat een beter alternatief voor waardering van vrijgestelde deelnemingen ontbreekt en geven er - mede om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid - de voorkeur aan om aansluiting te zoeken bij de
normaleregels van goed koopmansgebruik. Naar mijn mening laten zij hierdoor het antwoord op een principiële vraag beheersen door pragmatische argumenten en dit kan slechts tot een onbevredigend antwoord leiden.
Deutsche Shell. [18] Het gaat om de vraag of en wanneer zich een werkelijk (economisch) valutaverlies voordoet op de financiering van een buitenlandse investering en in hoeverre dochters vergelijkbaar zijn met vaste inrichtingen. Hij schrijft:
BNB1979/181 heeft beslist dat een deelneming in het algemeen op intrinsieke waarde mag worden gewaardeerd, mits geen sprake is van een stelselwijziging die is gericht op het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel. Tijdens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet werken aan winst is dit bevestigd: ‘Een deelneming dient volgens de regels van goed koopmansgebruik te worden gewaardeerd. In de praktijk worden deelnemingen vaak op kostprijs of lagere beurs- of bedrijfswaarde gewaardeerd, maar ook andere waarderingsmethoden behoren tot de mogelijkheden, zoals waardering op werkelijke waarde. Opwaarderingen en afwaarderingen zijn voordelen uit hoofde van de deelneming.’ (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 572, nr. 3, p. 63). Belastingplichtigen mogen er dus voor kiezen valutaresultaten per jaar als gerealiseerd te beschouwen. Dit betekent dat ook gedurende de bezitsperiode van een deelneming een valutaverlies in aftrek moet kunnen komen als de belastingplichtige ervoor kiest de deelneming op intrinsieke waarde te waarderen.”
7.Waardering op lagere bedrijfswaarde? Aanzienlijk lager? Duurzaam?
8.Redelijke wetstoepassing: beperkte of onbeperkte compartimentering?
9.Aflopende deelneming (art. 13(16) Wet Vpb)
driejaar zou opeens en in strijd daarmee
zesjaar belopen. Het overgangsregime voor de oneigenlijke deelneming ziet op belangen die vóór 2007 minder dan 5% beliepen
,terwijl het (permanente) regime van art. 13(16) Wet Vpb ziet op situaties die ná 2007 eerst 5% of meer belopen en er daarna beneden zakken.