Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1aricht zich tegen rov. 4.7:
“niet het tegendeel(een tekortschietende draagkracht; LK)
heeft aangetoond”. Aan de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht ligt in elk geval niet ten grondslag hetgeen zich uit de door de man in de desbetreffende appelprocedure overgelegde stukken omtrent diens draagkracht laat afleiden. Kennelijk is het hof, ten detrimente van de man, van die stukken afgeweken, door uit te gaan van een voldoende (grotere) draagkracht die de man in staat stelde tot betaling van een alimentatie die de behoefte van de vrouw volledig dekte.
ten opzichte van hetgeen zich uit de jaarrekeningen 2004, 2005, 2006 en 2008 en de conceptjaarstukken 2009 laat afleiden. In de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht, heeft het hof ’s-Gravenhage immers, met voorbijgaan aan hetgeen zich uit laatstgenoemde jaarrekeningen laat afleiden, kennelijk een ander (hoger) inkomen verondersteld. Voor een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro komt het bij die stand van zaken slechts aan op de vraag of thans sprake is van een lager inkomen dan
het inkomen waarvan het hof ’s-Gravenhage is uitgegaan, te weten een inkomen dat, mede gelet op de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], in elk geval voldoende draagkracht oplevert voor een alimentatie die de behoefte van de vrouw volledig dekt.
“niet is komen vast te staan dat de man niet in staat is de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw te betalen”(rov. 6) en
“(n)u de man niet het tegendeel heeft aangetoond (…) het ervoor gehouden (moet) worden dat hij in staat is de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te betalen”(rov. 7).