Conclusie
1.Feiten
'damages (SCHADEVERGOEDING) to the tune of the Pledgor [Osata] incurred ad EUR 4.809.012 excluding interests, which claim may subsequently be amended’. In de pandakte is verder een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht;
2.Procesverloop
3.Inleiding
op voorhandworden gezegd dat de opvatting van de Rechtbank juist is, waarmee ik zeker niet wil suggereren dat haar oordeel onjuist is. Beoordeling van deze kwestie zou een gedegen onderzoek van feitelijke aard vergen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Bij lezing van het debat over deze kwestie kan m.i. niet worden gezegd dat boven iedere redelijke twijfel verheven is dat Osata schade aan de reputatie van Neo-River heeft berokkend (in een mate die opzegging van de overeenkomst rechtvaardigde). [8] Dat brengt mee dat evenmin gezegd kan worden dat de klachten belang missen.
4.Bespreking van de klachten
argumentatievan de Minister blijft overeind dat een heldere keuze is gemaakt die de Staten-Generaal klaarblijkelijk heeft overtuigd. Dan moeten er erg klemmende argumenten zijn voor de rechter om anders te oordelen, al was het maar gelet op art. 11 Wet Pro AB. [22]
voor de onderhavige zaakbetekenis toe aan het betoog in een deel van de doctrine dat de pandhouder in het wettelijk stelsel te weinig wordt beschermd.
algemeneuiteenzetting te geven over de bescherming van de pandhouder. Of, anders gezegd, aangenomen moet m.i. worden dat hij niet heeft beoogd om de in de artikelen 3:81 lid 3 en 6:161 lid 3 BW genoemde bescherming ook in het kader van afstand aan de pandhouder deelachtig te doen worden. [44] Daarop wijst m.i. ook dat in art. 3:246 BW Pro een bepaling als art. 3:207 lid 2 BW Pro voor pand ontbreekt. [45] Volgens Biemans is deze keuze terecht; een dergelijke regeling zou te ver gaan in de bescherming van de pandhouder en de regeling van pand nodeloos ingewikkeld maken. [46]
in casuvoldoende bescherming biedt (even afgezien van ’s Hofs in cassatie niet bestreden oordeel dat dat niet het geval is). Meer in het algemeen en in zoverre ook met betrekking tot de onderhavige zaak komt daar nog het volgende bij.
feitelijkebenadeling moet bestaan op het moment dat de schuldeiser zijn rechten geldend maakt of, als een procedure wordt gevoerd, ten tijde van de rechterlijke beslissing. [51] Praktisch gesproken zal dat in een aantal gevallen meebrengen dat de gewezen pandhouder eerst zijn debiteur moet aanspreken omdat de (wetenschap van benadeling) benadeling eerder vaak onvoldoende duidelijk zal zijn. Daarvan uitgaande zou ik niet licht van een anders dan goeddeels papieren (zo men wil: juridisch dogmatisch sluitende, maar voor de dagelijkse praktijk daarmee nog niet toereikende) bescherming van de pandhouder willen spreken. Maar voldoende bescherming of niet, de wetgever heeft een duidelijke keuze gemaakt.
ten opzichte van IAE. In het p.v. van de “pleidooizitting” is over het zojuist genoemde element niets te vinden, nog daargelaten dat IAE de afstand betwistte. Ook in de mvg onder 2 kan ik op dit punt niets nuttigs vinden.