Conclusie
[verdachte]
eerste middelhoudt in dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen en niet dan wel zonder afdoende motivering heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer dat ertoe strekt dat onvoldoende is onderzocht of sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen de partner van verdachte (medeverdachte [medeverdachte]) en zijn broer. Het hof is volgens de steller van het middel ten onrechte tot een bewezenverklaring gekomen.
verdachte(mijn toevoeging, FWB)telkens valselijk op dat formulier
- in de periode van 29 januari 2003 tot en met 31 december 2003 en
- in de periode van 1 januari 2005 tot en met 10 augustus 2008
niet de samenwoning met [medeverdachte] vermeld/opgegeven en telkens dat formulier ondertekend, telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
tweede middelklaagt erover dat het hof de verklaringen van [betrokkene 4] ten onrechte voor waar heeft aangenomen. Het betoog namens de verdachte dat [medeverdachte] de contacten tussen hem en de verdachte had gemeld, wordt door het hof ten onrechte niet beoordeeld in het kader van het verweer tot vrijspraak, aldus de steller van het middel.
derde middel,dat inhoudt dat het hof ten onrechte
tot bewezenverklaring onder strafoplegging is overgegaan,wordt in de toelichting door de steller van het middel bezegeld door te overwegen dat dit middel geen zelfstandige betekenis heeft. Dat zo zijnde kan het, mede gelet op hetgeen in het voorafgaande over de middelen I en II is opgemerkt, evenmin slagen.