Conclusie
conclusietot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
Parket bij de Hoge Raad
Partijen waren gehuwd en gescheiden waarbij de vrouw het gezag over de minderjarige dochter kreeg toegewezen. De man verzocht om herstel van gezamenlijk ouderlijk gezag, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen. Het gerechtshof verklaarde de man niet-ontvankelijk in hoger beroep. Vervolgens verzocht de man cassatie bij de Hoge Raad.
Het cassatieverzoekschrift was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv. De man had geen advocaat kunnen vinden en de Deken van de Orde van Advocaten kon geen advocaat aanwijzen omdat de cassatietermijn al was verstreken.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk is en dat er geen wettelijke grondslag is voor de Hoge Raad om zelf een advocaat aan te wijzen. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad en overschrijding van de cassatietermijn.