ECLI:NL:PHR:2013:1905

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2013
Publicatiedatum
13 december 2013
Zaaknummer
13/04908
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 426 lid 1 RvArt. 13 AdvocatenwetArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbreken ondertekening door advocaat en overschrijding termijn herstel gezamenlijk gezag

Partijen waren gehuwd en gescheiden waarbij de vrouw het gezag over de minderjarige dochter kreeg toegewezen. De man verzocht om herstel van gezamenlijk ouderlijk gezag, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen. Het gerechtshof verklaarde de man niet-ontvankelijk in hoger beroep. Vervolgens verzocht de man cassatie bij de Hoge Raad.

Het cassatieverzoekschrift was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv. De man had geen advocaat kunnen vinden en de Deken van de Orde van Advocaten kon geen advocaat aanwijzen omdat de cassatietermijn al was verstreken.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk is en dat er geen wettelijke grondslag is voor de Hoge Raad om zelf een advocaat aan te wijzen. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad en overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

13/04908
Mr. F.F. Langemeijer
6 december 2013
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 8 mei 2003 is echtscheiding uitgesproken en is de vrouw belast met het gezag over de op [geboortedatum] 1994 geboren dochter.
2. Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de rechtbank te Rotterdam een verzoek van de man tot herstel van het gezamenlijk gezag van de ouders afgewezen. De dochter was inmiddels meerderjarig. Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft het gerechtshof Den Haag de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
3. Bij brief, op 13 mei 2013 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de man cassatie van die beschikking verzocht. De man is door de griffie gewezen op het voorschrift dat een cassatieverzoekschrift in burgerlijke zaken moet worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (art. 426a lid 1 Rv). In een (evenmin door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend) schrijven, ter griffie ingekomen op 14 oktober 2013, heeft de man verzocht het daarbij gevoegde cassatieverzoek toch in behandeling te nemen [1] . De man stelt dat hij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid heeft gevonden in deze kwestie voor hem een cassatieverzoekschrift in te dienen.
4. Art. 426 lid 1 Rv Pro bepaalt de cassatietermijn op drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Die termijn is overschreden. De brief van 13 mei 2013 is niet aan te merken als een door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend cassatieverzoekschrift. Naar ik uit de overgelegde bescheiden begrijp, heeft de man zich vergeefs gewend tot verscheidene advocaten die deze zaak niet hebben willen aannemen. Op grond van art. 13 Advocatenwet Pro kan in zo’n situatie de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Blijkens de overgelegde documenten, is een aanwijzing door de Deken achterwege gebleven omdat de cassatietermijn al was verstreken toen zij werd verzocht.
5. Voor het subsidiaire verzoek dat de Hoge Raad zelf een advocaat aanwijst om de man te vertegenwoordigen, biedt de wet geen grondslag. Overigens zou dat zinloos zijn geweest, nu de cassatietermijn is verstreken en geen nieuw cassatieverzoek meer kan worden ingediend. Behandeling van alleen het op 13 mei 2013 cassatieverzoek zou m.i. hebben geleid tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
6. Om deze redenen strekt de
conclusietot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.De herstelmogelijkheid van HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, is niet benut.