Conclusie
1.Feiten
3.Bespreking van het cassatiemiddel
- [eiser] indirect bestuurder van Lange Haven was en bij de onderhandelingen en de totstandkoming van de koopovereenkomst op 25 augustus 2008 en ook daarna persoonlijk een belangrijke rol heeft gespeeld (r.o. 4.7);
- er op 25 augustus 2008 een voor een redelijk handelend bestuurder niet te veronachtzamen risico bestond dat de financiering van het gehele project niet zou slagen: er was immers geen sprake van enige relevante mate van zekerheid dat de financiering van het gehele project binnen redelijke tijd na 25 augustus 2008 rond zou zijn (r.o. 4.8),
- het in r.o. 4.8 bedoelde financieringsrisico geheel is afgewenteld op de verkoper doordat de als koper optredende vennootschap geen eigen vermogen bezat en voor de financiering van de aankoop van de pastorie geheel aangewezen was op (een onderdeel van de) financiering van het gehele project (r.o. 4.9),
- de door [eiser] aangevoerde omstandigheden deze in beginsel als onrechtmatig aan te merken gedragingen niet kunnen rechtvaardigen (r.o. 4.10).