ECLI:NL:PHR:2013:2257

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2013
Publicatiedatum
23 december 2013
Zaaknummer
12/03897
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83 ROArt. 357 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens samenstelling hof in hoger beroep niet conform proces-verbaal

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 19 maart 2012 veroordeeld wegens bedreiging met een voorwaardelijke werkstraf en hechtenis. Verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. Het middel klaagt dat het arrest is gewezen door andere raadsheren dan die aanwezig waren bij de terechtzitting, wat strijdig is met de eisen van behoorlijke procesvoering.

De Hoge Raad stelt vast dat het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt dat mr. N.F. van Manen, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. H.A. Holthuis aanwezig waren, terwijl het arrest is gewezen door mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. N.F. van Manen en mr. J.W.H.G. Loyson. Dit verschil betekent dat de samenstelling van het hof bij het arrest niet overeenkomt met die bij de terechtzitting.

De Hoge Raad oordeelt dat de raadsheren die het arrest wijzen dezelfde moeten zijn als die aan de terechtzitting en beraadslaging hebben deelgenomen. Aangezien dit niet het geval is, leidt dit tot nietigheid van het arrest wegens een vormverzuim dat strijdig is met de eisen van behoorlijke procesvoering. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.

Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd wegens een misslag in de samenstelling van het hof bij het wijzen van het arrest.

Conclusie

Nr. 12/03897
Mr. Harteveld
Zitting 5 november 2013
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 19 maart 2012 wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar. Voorts is van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf de proeftijd met een jaar verlengd.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak is gewezen door andere raadsheren dan degenen die bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig waren en dat de beslissing van het Hof daarom niet in stand kan blijven.
3.2. In hoger beroep is de zaak op 5 maart 2012 inhoudelijk behandeld en naar aanleiding van dat onderzoek ter terechtzitting is arrest gewezen. Het proces-verbaal van die terechtzitting in hoger beroep houdt in dat als raadsheren aanwezig waren: mr. N.F. van Manen, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. H.A. Holthuis. De bestreden uitspraak vermeldt echter dat het arrest is gewezen door mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. N.F. van Manen en mr. J.W.H.G. Loyson.
3.3. De raadsheren die het arrest wijzen dienen dezelfde te zijn die blijkens het proces-verbaal van de zitting aan het onderzoek ter terechtzitting en tevens aan de beraadslaging in raadkamer hebben deelgenomen. [1] Dat blijkt in de onderhavige zaak niet uit de stukken, terwijl van de juistheid van die stukken dient te worden uitgegaan. Aangenomen moet derhalve worden dat aan voormelde eis niet is voldaan. Dit vormverzuim is zozeer in strijd met de eisen van een behoorlijke procesvoering dat dit tot nietigheid van de bestreden uitspraak dient te leiden. [2]
3.4. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, ad art. 357 Sv Pro, aant. 4.
2.Vgl. HR 11 juni 1974, NJ 1974/482 en HR 24 juni 1975, NJ 1976/38 met andersluidende conclusie van Advocaat-Generaal Kist die tot verwerping concludeerde omdat het kennelijk een typefout betrof. Een vergelijkbare fout leidde niet tot ambtshalve cassatie in HR 13 februari 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ3281, waarbij de Hoge Raad in het midden laat of het een vergissing betrof.