2.2 In het middel wordt voorts geklaagd over de strafmotivering, die luidt:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bijzonder laffe poging tot doodslag.
De verdachte had het plan opgevat om een willekeurig persoon samen met zijn acht mededaders in elkaar te slaan. Deze groep van negen personen heeft zich vervolgens naar het Weizigtpark begeven en heeft aldaar overeenkomstig het plan van de verdachte een willekeurige voorbijganger in elkaar geslagen.
Het daarbij uitgeoefende geweld is fors geweest. Niet alleen werd het slachtoffer door de groep met kracht en gebalde vuist geslagen en gestompt, maar ook werd hij meermalen, met geschoeide voet, tegen zijn hoofd geschopt, terwijl hij hulpeloos op de grond lag. Dat het slachtoffer door dit uitgeoefende geweld niet het leven heeft gelaten, is niet aan de verdachte of zijn mededaders te danken.
Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Voor het slachtoffer moet dit een zeer ingrijpende en beangstigende gebeurtenis zijn geweest. Een dergelijk feit, gepleegd in de openbare ruimte, draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een geweldsdelict waarvoor hij nog in de proeftijd liep. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte psychologisch rapport d.d. 28 november 2011, mede op grond waarvan het bewezenverklaarde aan de verdachte volledig toegerekend wordt.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, in beginsel een gerechtvaardigde reactie vormt. Een werkstraf of een voorwaardelijke straf, zoals door de verdediging bepleit, doen naar 's hofs oordeel onvoldoende recht aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede de omstandigheid dat de verdachte heeft gerecidiveerd terwijl hij nog in een proeftijd liep in verband met een soortgelijk geweldsdelict.
In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, ziet het hof echter aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daartoe neemt het hof mede in aanmerking dat de verdachte thans een gezin heeft en in de afrondende fase van zijn opleiding verkeert, alsmede zijn jeugdige leeftijd.
Alles overwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”