ECLI:NL:PHR:2013:2374

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
8 januari 2014
Zaaknummer
12/05076
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 150 RvArt. 348 RvArt. 1:87 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling vakantiewoning gefinancierd door één ongehuwde partner, beroep op schenking verworpen

Partijen hadden een affectieve relatie zonder huwelijk of samenlevingsovereenkomst en kochten gezamenlijk een stuk grond in Griekenland waar een vakantiewoning werd gebouwd, volledig gefinancierd door de man. Beide werden mede-eigenaar van grond en woning. De man vorderde vergoeding van zijn inbreng en toedeling van het onroerend goed aan hem, terwijl de vrouw verweer voerde en een eigen vordering tot toedeling met vergoeding instelde.

De rechtbank oordeelde dat de man recht heeft op vergoeding van zijn inbreng, omdat de vrouw onvoldoende betwistte dat de huidige waarde lager is dan de investering. De vrouw moest haar aandeel leveren zonder vergoeding. Het hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp het beroep van de vrouw op schenking, omdat zij dit niet in eerste aanleg had gesteld en onvoldoende had onderbouwd.

In cassatie stelde de vrouw dat het hof ten onrechte haar nieuwe stelling over schenking niet had geaccepteerd en dat het hof de bewijslast verkeerd had verdeeld. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde dat de vrouw de stelplicht en bewijslast had voor haar schenkingverweer en dat het hof haar betwisting van de waarde terecht onvoldoende vond. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de verdeling en vergoedingsplicht zoals vastgesteld door hof en rechtbank.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hofarrest wordt bekrachtigd.

Conclusie

12/05076
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 20 december 2013
CONCLUSIE inzake:
[eiseres],
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen:
[verweerder],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Deze zaak betreft de verdeling van een op naam van beide ongehuwde partners gezamenlijk staande vakantiewoning, die geheel is gefinancierd door de man. In cassatie gaat het onder meer om de vraag of het hof op goede gronden het beroep van de vrouw op schenking heeft verworpen.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten [1] :
a) Partijen (hierna: [eiseres] resp. [verweerder]) hebben vanaf 2004 tot medio of eind 2008 een affectieve relatie gehad zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst.
b) In 2006 is in Griekenland een stuk grond gekocht om daarop een vakantiewoning te bouwen. De kosten van de aankoop van de grond en de bouw van de woning zijn uitsluitend uit het vermogen van [verweerder] betaald. Van de grond en de daarop gebouwde woning zijn beide partijen eigenaar geworden.
1.2
[verweerder] heeft [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank Middelburg. Hij stelt in totaal € 2.150.000,- te hebben geïnvesteerd in de grond en de woning, terwijl het geheel thans nog maar € 1.350.000,- waard is.
[verweerder] vordert, na wijziging van eis,
primairtoedeling van de gemeenschappelijke grond en vakantiewoning in Griekenland aan hemzelf, met veroordeling van [eiseres] tot betaling van een bedrag ad € 400.000,- als bijdrage voor de helft in de waardedaling.
Subsidiairvordert [verweerder] veroordeling tot betaling van een bedrag ad € 1.075.000,-, zijnde de helft van het nominaal door hem geïnvesteerde bedrag.
Meer subsidiairvordert hij toedeling van de gemeenschappelijke grond en vakantiewoning aan hemzelf tegen finale kwijting. Ten slotte vordert hij
nog meer subsidiairveroordeling tot betaling van een bedrag ad € 675.000,-, zijnde de helft van de huidige waarde, uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. [2]
1.3
[eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In reconventie vordert zij, na wijziging van eis,
primairde toedeling van de grond met opstallen in Griekenland aan [verweerder], met veroordeling van [verweerder] tot vergoeding aan haar van de helft van de – door een door de rechtbank te benoemen onafhankelijk deskundige vast te stellen – waarde van de grond met opstallen ten tijde van de verdeling.
Subsidiairvordert zij een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
1.4
Bij vonnis van 5 januari 2011 heeft de rechtbank geoordeeld – voor zover in cassatie van belang – dat de omstandigheid dat [verweerder] de koop- en stichtingskosten heeft betaald er in beginsel toe leidt dat [verweerder] bij de verdeling recht heeft op vergoeding van zijn inbreng (rov. 4.3) en dat de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden de rechtbank geen aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken (rov. 4.4). Die vergoeding dient uit de gemeenschap te komen en kan dus niet hoger zijn dan de totale waarde van de gemeenschap (rov. 4.5). Nu [eiseres] niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de huidige waarde van grond en woning is gelegen onder de door [verweerder] betaalde koop- en stichtingskosten, zal de waarde van de door [eiseres] aan [verweerder] te leveren (onverdeelde) helft van de onroerende zaak lager zijn dan de [verweerder] toekomende vergoeding van zijn inbreng (rov. 4.6). Dit leidt er toe dat [eiseres] haar deel van de grond en de woning zal dienen te leveren zonder dat zij daarvoor een vergoeding van [verweerder] zal ontvangen (rov. 4.7). De meer subsidiaire vordering is derhalve toewijsbaar. [3] Hetzelfde geldt voor de in reconventie gevorderde verdeling (rov. 4.9).
In conventie en reconventie heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke grond en opstallen in Griekenland aldus vastgesteld dat deze worden toegedeeld aan [verweerder], zulks tegen finale kwijting, met veroordeling van [eiseres] tot medewerking aan deze verdeling op verbeurte van een dwangsom.
1.5
Naar aanleiding van dit vonnis heeft [eiseres] bedoelde medewerking verleend. [4]
1.6
[eiseres] is van dit vonnis onder aanvoering van een viertal grieven in hoger beroep gekomen met conclusie dat het gerechtshof ’s-Gravenhage het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, het door [verweerder] in conventie gevorderde alsnog integraal afwijst en hem veroordeelt tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, als gevolg van de onrechtmatig afgedwongen medewerking aan de verdeling.
[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
1.7
In zijn arrest van 26 juni 2012 stelt het hof vast dat [eiseres] geen afzonderlijke grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in haar rov. 4.3 en 4.4) dat [verweerder] in beginsel recht heeft op vergoeding van zijn inbreng (arrest, rov. 4.5, voorlaatste zin). Wel heeft [eiseres] in haar memorie van grieven aangevoerd dat [verweerder] geen recht heeft op vergoeding van zijn inbreng omdat sprake is van een schenking (rov. 4.4). Ter zake overweegt het hof dat [eiseres] zich in eerste aanleg uitdrukkelijk niet heeft beroepen op het bestaan van een schenking (waartoe het hof verwijst naar conclusie van dupliek, onder 31), hetgeen niet goed te rijmen is met het thans door haar ingenomen standpunt. Voorts oordeelt het hof dat de gestelde schenking niet is onderbouwd, en dat evenmin is onderbouwd dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Het recht op vergoeding van zijn inbreng heeft [verweerder] derhalve niet door schenking of anderszins prijsgegeven. De daarop betrekking hebbende grieven 1 en 2 worden verworpen (rov. 4.5). Het hof verwerpt tevens de grief (3) tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] niet (voldoende) heeft betwist dat de huidige waarde van de onroerende zaken gelegen is onder de door [verweerder] betaalde koop- en stichtingskosten (rov. 4.6-4.7). De verwerping van de grieven brengt mee dat het oordeel van de rechtbank in stand blijft en daarmee ook de verplichting van [eiseres] tot medewerking aan de verdeling (rov. 4.9).
Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
1.8
[eiseres] heeft – tijdig [5] – beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten en vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd.

2.Beoordeling van het cassatieberoep

2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
2.2
Onderdeel 1komt op tegen rov. 4.5 van het bestreden arrest, met name de oordelen:
(i) dat [eiseres] zich in eerste aanleg uitdrukkelijk niet heeft beroepen op het bestaan van een schenking (conclusie van dupliek onder 31), hetgeen niet goed te rijmen is met het in hoger beroep door [eiseres] ingenomen standpunt dat er sprake is van een schenking;
(ii) dat de door [eiseres] gestelde schenking in hoger beroep niet is onderbouwd;
alsmede het daarop voortbouwende oordeel:
(iii) dat [verweerder] zijn recht op vergoeding van zijn inbreng niet door schenking of anderszins heeft prijsgegeven.
2.3
Als
eerste klachtwordt aangevoerd dat het hof met – zo begrijp ik – oordeel (i) miskent dat partijen in hoger beroep hun standpunten mogen verbeteren en aanvullen, zelfs zonder het geven van een rechtvaardiging, en dat [eiseres] in eerste instantie bovendien heeft gesteld de (vraag of sprake is van) schenking “in het midden” te laten. [6] Indien en voor zover het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk.
2.4
[eiseres] stelt op zichzelf terecht dat zij als gedaagde in eerste aanleg de mogelijkheid had om in hoger beroep (in beginsel: bij memorie van grieven [7] ) nieuwe stellingen aan te voeren. Het hoger beroep strekt er immers mede toe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot verbetering en aanvulling van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden [8] is niet vereist dat hiervoor een voldoende rechtvaardiging wordt gegeven. [9] Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in dit geval niet aangevoerd en ook niet door het hof vastgesteld.
Bovendien kan niet gezegd worden – voor zover dat al van belang zou zijn – dat het beroep van [eiseres] in hoger beroep op een schenking zich slecht verdraagt met haar stellingname in eerste aanleg. Bij conclusie van repliek in conventie (onder 24) had [verweerder] opgemerkt dat [eiseres] zich met haar betoog dat zij volgens de bedoeling van partijen om niet mede-eigenaar zou worden, impliciet op het bestaan van een overeenkomst van schenking beroept. Daarop stelde [eiseres] in haar conclusie van dupliek in conventie:
“31. Het is overigens niet juist dat [eiseres] zich beroept op het bestaan van een overeenkomst van schenking. Het gaat om de overeenstemming die er tussen partijen bestond om [eiseres] mede-eigenaar te laten zijn van de grond met opstallen in Griekenland. Of dit als schenking of anderszins dient te worden aangemerkt kan in het midden blijven.”
Er was in eerste aanleg dus niet gesteld dat er uitdrukkelijk
géén beroepop schenking werd gedaan; gesteld werd slechts dat de kwalificatie van het verweer in het midden wordt gelaten. Dat [eiseres] die kwalificatie in hoger beroep niet langer in het midden wenst te laten, lijkt mij hiermee niet strijdig.
2.5
De klachten tegen oordeel (i) falen echter bij gebrek aan belang. Het hof heeft immers aan zijn vaststelling dat de stellingname van [eiseres] in eerste aanleg “niet goed te rijmen is” met die in appel, geen consequenties in haar nadeel verbonden maar haar beroep op het bestaan van een schenking alsnog inhoudelijk beoordeeld.
2.6
Volgens de
tweede klachtmiskent het hof met, zo begrijp ik, zijn oordeel (ii) – inhoudende dat de door [eiseres] gestelde schenking in hoger beroep niet is onderbouwd – dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro [verweerder] degene is die de bewijslast heeft, althans is zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk. Nu [verweerder] feiten heeft aangevoerd voor de stelling dat hij bij de door hem gevorderde verdeling recht heeft op vergoeding van zijn inbreng, dient hij de feiten waarvan hij het rechtsgevolg inroept ook te bewijzen. Het beroep op schenking is immers slechts aan te merken als een “nee, want-verweer” [10] , waarmee [eiseres] slechts de door [verweerder] gestelde feiten betwist.
2.7
Deze klacht faalt. [eiseres] heeft, naar de onbestreden vaststelling van het hof [11] , geen afzonderlijke grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank (in haar rov. 4.3-4.4) dat [verweerder] in beginsel recht heeft op vergoeding van zijn inbreng (arrest, rov. 4.5, voorlaatste zin). [12] Tegen deze achtergrond behelst haar verweer dat sprake is van een schenking een zelfstandig bevrijdend (“ja, maar”) verweer, ten aanzien waarvan op haar de stelplicht en eventuele bewijslast rust. [13]
2.8
Voorts bevat het eerste middelonderdeel onder het kopje “ten overvloede” nog een
derde klacht, waarmee [eiseres] lijkt te willen opkomen tegen de overwegingen van het hof ter rechtvaardiging van zijn oordeel (ii) dat de gestelde schenking niet is onderbouwd. Het gaat om de overwegingen: (a) dat [eiseres] niet heeft aangegeven op welke wijze en op welk moment de schenking heeft plaatsgevonden en op welke zaken die schenking precies betrekking zou hebben gehad, en (b) dat het enkele (mede) op haar naam stellen van de grond nog geen schenking van de helft van de waarde van de grond en daarop nog te bouwen woning dan wel het afzien door [verweerder] van een vergoeding voor diens inbreng impliceert, en (c) dat door [eiseres] verder geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld die de conclusie kunnen dragen dat in dit geval van het een en ander wel sprake zou kunnen zijn. Volgens de klacht heeft het hof met deze overwegingen “het recht geschonden”, zulks, zo begrijp ik, in het licht van de stellingen van [eiseres] in haar memorie van grieven.
2.9
De klacht moet reeds falen omdat niet met een rechtsklacht kan worden opgekomen tegen een feitelijk oordeel als het onderhavige. Voorts vermeldt het middel geen vindplaatsen van de stellingen in de processtukken, noch geeft het aan waarin de beweerdelijke rechtsschending is gelegen, zodat het niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen.
Ook indien de klacht moet worden opgevat als een motiveringsklacht treft zij geen doel. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd in het licht van de enkele in de klacht aangehaalde stelling van [eiseres] dat “toedeling van de helft van de eigendom aan haar is geschied uit genegenheid en erkentelijkheid, mitsdien als een schenking op grond van een morele verplichting” (aldus memorie van grieven, onder 14).
2.1
Uit de s.t. namens [eiseres] (onder 14) laat zich wellicht afleiden dat de klacht aldus moet worden opgevat dat het hof met de overwegingen (a), (b) en (c) miskent dat op [verweerder] de bewijslast rust van zijn stelling dat hij recht heeft op vergoeding van zijn inbreng. Is deze lezing juist, dan bouwt deze klacht voort op de tweede, en faalt zij op de hiervoor onder 2.7 vermelde grond.
2.11
De
vierde klachtbestempelt als rechtens onjuist het oordeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in valt te zien dat het (mede) op naam van [eiseres] stellen van grond ten behoeve van een vakantiewoning moet worden aangemerkt als het door [verweerder] voldoen aan een natuurlijke verbintenis. [14] Daartoe wordt aangevoerd dat die toelichting niet ontbreekt, gelet op een aantal in het middel aangehaalde stellingen.
2.12
Ook deze klacht moet falen omdat zij niet aan de ingevolge art. 407 Rv Pro te stellen eisen voldoet en omdat – indien wordt uitgegaan van een motiveringsklacht – het oordeel van het hof ook in het licht van de aangehaalde stellingen niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is.
2.13
Onderdeel 2komt met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen ’s hofs oordelen in r.o. 4.7 dat (a) het er niet om gaat
hoeveelde huidige waarde van de grond en opstallen lager ligt dan het bedrag van de koop- en stichtingskosten, maar alleen
datdeze lager ligt, omdat de inbreng van [eiseres] nihil is geweest, en (b) dat [eiseres] in het licht van de door [verweerder] gegeven onderbouwing niet kan volstaan met een enkele betwisting van de actuele waarde van grond en woning maar die zal moeten onderbouwen en dat, aangezien zij dat heeft nagelaten, haar betwisting als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd moet worden.
2.14
Tegen oordeel (a) wordt aangevoerd dat [eiseres] recht heeft op vergoeding van haar deel in de verdeelde gemeenschap, zodat het wel degelijk gaat om de vraag
hoeveellager de huidige waarde van de grond en opstallen is.
2.15
Op dit punt treft het onderdeel geen doel. Het miskent dat, nu het hof – in cassatie niet dan wel tevergeefs bestreden – heeft geoordeeld dat [verweerder] recht heeft op vergoeding van zijn inbreng, de vordering van [eiseres] uit overbedeling (ter grootte van de helft van de huidige waarde [15] ) geheel wegvalt tegen de vordering van [verweerder] indien die huidige waarde gelijk aan of lager is dan de door [verweerder] gedane investering. Daarbij is niet van belang hoeveel de huidige waarde lager ligt dan het bedrag van de investering.
2.16
Tegen oordeel (b) wordt aangevoerd dat [eiseres] in eerste aanleg bij dupliek (onder 22) heeft gesteld dat [verweerder] zijn beweringen omtrent de huidige waarde van de grond en de opstallen slechts heeft onderbouwd met – kort gezegd – ondeugdelijke producties waaruit die beweringen geenszins kunnen worden afgeleid, waaruit volgt dat (het hof heeft miskend dat) [verweerder] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat de betwisting van [eiseres] meer dan volstond.
2.17
Deze klacht faalt. Zij ziet er aan voorbij dat [verweerder] in appel niet alleen een aantal (nieuwe) calculaties heeft overgelegd, maar tevens een beroep heeft gedaan op het feit van algemene bekendheid dat de Griekse vastgoedmarkt hard is geraakt door de financiële crisis (memorie van antwoord, onder 11). Niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd is het oordeel van het hof dat [verweerder] met dit laatste betoog voldoende heeft onderbouwd dat de waarde van de zaken op de peildatum (5 januari 2011) lager ligt dan het geïnvesteerde bedrag en dat de betwisting van [eiseres] in dat licht onvoldoende onderbouwd is.
2.18
Toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro wordt in overweging gegeven.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan rov. 4.1 van het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 26 juni 2012. Zie ook rov 2.1-2.2 van het vonnis van de rechtbank Middelburg van 5 januari 2011.
2.Vgl. rov. 3.1 en 3.2 van het vonnis van 5 januari 2011.
3.Behoudens een enkel in cassatie niet ter zake doend onderdeel.
4.Rov. 4.2 van het arrest van 26 juni 2012.
5.De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 25 september 2012.
6.Verwezen wordt naar conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, onder 31.
7.Vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 ([A]/NOM),
8.Deze zouden gelegen kunnen zijn in het feit dat het nieuw aangevoerde reeds in eerste aanleg ondubbelzinnig is prijsgegeven (een ‘gedekt verweer’, vgl. art. 348 Rv Pro.), of indien het in een zo laat stadium wordt aangevoerd of een zo ingrijpende wending aan het processuele debat geeft dat een goede procesorde zich hiertegen verzet (vgl. de conclusie van A-G Bakels (onder 2.3) bij HR 11 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2803 (NDC/Osse),
9.HR 11 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2803 (NDC/Osse),
10.Verwezen wordt naar de conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.6) (ECLI:NL:PHR:2005:AT8241) voor HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8241,
11.Voor zover in s.t. namens [eiseres] onder 9 wel een klacht tegen die vaststelling moet worden gelezen, is deze tardief. Die feitelijke vaststelling is voorts niet onbegrijpelijk, gelet op de toelichting bij grief I (memorie van grieven, onder 13-18).
12.Het oordeel dat [verweerder] in beginsel recht heeft op vergoeding van zijn inbreng vindt steun in de volgende rechtspraak en literatuur: HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938,
13.Asser Procesrecht/Asser 3 2013, nrs. 57 en 282.
14.Het hof heeft kennelijk – en niet onbegrijpelijk – het beroep van [eiseres] op een “schenking op grond van een morele verplichting” (memorie van grieven, onder 14) niet alleen opgevat als een beroep op schenking, maar ook als een (eventueel) beroep op het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Het voldoen aan een natuurlijke verbintenis is immers niet te kwalificeren als een schenking.
15.Zie ook de in rov. 4.5-4.7 van het vonnis van 5 januari 2011 gehanteerde berekeningswijze (in appel niet bestreden).