Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairtoedeling van de gemeenschappelijke grond en vakantiewoning in Griekenland aan hemzelf, met veroordeling van [eiseres] tot betaling van een bedrag ad € 400.000,- als bijdrage voor de helft in de waardedaling.
Subsidiairvordert [verweerder] veroordeling tot betaling van een bedrag ad € 1.075.000,-, zijnde de helft van het nominaal door hem geïnvesteerde bedrag.
Meer subsidiairvordert hij toedeling van de gemeenschappelijke grond en vakantiewoning aan hemzelf tegen finale kwijting. Ten slotte vordert hij
nog meer subsidiairveroordeling tot betaling van een bedrag ad € 675.000,-, zijnde de helft van de huidige waarde, uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. [2]
primairde toedeling van de grond met opstallen in Griekenland aan [verweerder], met veroordeling van [verweerder] tot vergoeding aan haar van de helft van de – door een door de rechtbank te benoemen onafhankelijk deskundige vast te stellen – waarde van de grond met opstallen ten tijde van de verdeling.
Subsidiairvordert zij een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
eerste klachtwordt aangevoerd dat het hof met – zo begrijp ik – oordeel (i) miskent dat partijen in hoger beroep hun standpunten mogen verbeteren en aanvullen, zelfs zonder het geven van een rechtvaardiging, en dat [eiseres] in eerste instantie bovendien heeft gesteld de (vraag of sprake is van) schenking “in het midden” te laten. [6] Indien en voor zover het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk.
géén beroepop schenking werd gedaan; gesteld werd slechts dat de kwalificatie van het verweer in het midden wordt gelaten. Dat [eiseres] die kwalificatie in hoger beroep niet langer in het midden wenst te laten, lijkt mij hiermee niet strijdig.
tweede klachtmiskent het hof met, zo begrijp ik, zijn oordeel (ii) – inhoudende dat de door [eiseres] gestelde schenking in hoger beroep niet is onderbouwd – dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro [verweerder] degene is die de bewijslast heeft, althans is zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk. Nu [verweerder] feiten heeft aangevoerd voor de stelling dat hij bij de door hem gevorderde verdeling recht heeft op vergoeding van zijn inbreng, dient hij de feiten waarvan hij het rechtsgevolg inroept ook te bewijzen. Het beroep op schenking is immers slechts aan te merken als een “nee, want-verweer” [10] , waarmee [eiseres] slechts de door [verweerder] gestelde feiten betwist.
derde klacht, waarmee [eiseres] lijkt te willen opkomen tegen de overwegingen van het hof ter rechtvaardiging van zijn oordeel (ii) dat de gestelde schenking niet is onderbouwd. Het gaat om de overwegingen: (a) dat [eiseres] niet heeft aangegeven op welke wijze en op welk moment de schenking heeft plaatsgevonden en op welke zaken die schenking precies betrekking zou hebben gehad, en (b) dat het enkele (mede) op haar naam stellen van de grond nog geen schenking van de helft van de waarde van de grond en daarop nog te bouwen woning dan wel het afzien door [verweerder] van een vergoeding voor diens inbreng impliceert, en (c) dat door [eiseres] verder geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld die de conclusie kunnen dragen dat in dit geval van het een en ander wel sprake zou kunnen zijn. Volgens de klacht heeft het hof met deze overwegingen “het recht geschonden”, zulks, zo begrijp ik, in het licht van de stellingen van [eiseres] in haar memorie van grieven.
vierde klachtbestempelt als rechtens onjuist het oordeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in valt te zien dat het (mede) op naam van [eiseres] stellen van grond ten behoeve van een vakantiewoning moet worden aangemerkt als het door [verweerder] voldoen aan een natuurlijke verbintenis. [14] Daartoe wordt aangevoerd dat die toelichting niet ontbreekt, gelet op een aantal in het middel aangehaalde stellingen.
hoeveelde huidige waarde van de grond en opstallen lager ligt dan het bedrag van de koop- en stichtingskosten, maar alleen
datdeze lager ligt, omdat de inbreng van [eiseres] nihil is geweest, en (b) dat [eiseres] in het licht van de door [verweerder] gegeven onderbouwing niet kan volstaan met een enkele betwisting van de actuele waarde van grond en woning maar die zal moeten onderbouwen en dat, aangezien zij dat heeft nagelaten, haar betwisting als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd moet worden.
hoeveellager de huidige waarde van de grond en opstallen is.