Conclusie
[veroordeelde]
middelklaagt dat de rechtbank bij de omzetting van de door de Zweedse rechtbank opgelegde straf art. 31 WOTS Pro heeft geschonden, doordat de straf niet begrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd is.
medehad beoordeeld naar de normen die gelden in het land waar het misdrijf is gepleegd, zo stelt het middel, heeft de rechtbank in onderhavige zaak de ernst van het gepleegde feit kennelijk uitsluitend beoordeeld naar de normen welke gelden in het land waar het feit is begaan. Dat is een onjuist uitgangspunt, aldus de steller van het middel.
ookin Zweden” als een ernstige inbreuk op de rechtsorde heeft te gelden, maar dat neemt niet weg dat de rechtbank de in het buitenland opgelegde sanctie in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader. Dat de veroordeelde, door zich in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is, betreft een omstandigheid waarmee de exequaturrechter met het oog op internationale gevoeligheden rekening dient te houden. Dat is echter niet het primaire uitgangspunt bij het bepalen van de strafmaat. De motivering van de straf voldoet dus niet aan de in art. 31, eerste lid, WOTS gestelde eisen. Het middel slaagt in zoverre.