Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrecht althans onvoldoende gemotiveerd het verzoek heeft verworpen om een getuige te horen. Met een beroep op Bocos Cuesta t. Nederland, nr. 54789/00, EHRM 10 november 2005, NJ 2006/239 m.nt. T.M. Schalken wordt aangevoerd dat niet blijkt op grond van welke concrete feiten en omstandigheden het Hof tot het oordeel is gekomen dat het belang van de getuige diende te prevaleren boven het belang van de verdachte hem als getuige te horen.
tweede middelricht zich tegen de afwijzing door het Hof van het verzoek om dezelfde getuige te horen maar nu gelet op de ontbrekende, althans onvoldoende compensatie voor het niet horen van de getuige.
Hoe is het verder gegaan naar en op het bureau. Heeft hij thuis nog iets gezegd tegen de politie en tegen wie? Wat zei hij? Heeft hij op weg naar het bureau nog iets gezegd en wat en tegen wie? Heeft de politie thuis of op weg naar het bureau iets tegen hem gezegd, bijvoorbeeld wat er aan de hand was en waarom hij mee moest naar het bureau? Heeft hij iets en wat dan tegen verbalisant [verbalisant] gezegd. Wat zei agent [verbalisant]. Wat vroeg agent [verbalisant]? Heeft hij gezegd dat er ruzie was. Wat verstaat hij onder ruzie. Waarom was er in dit geval ruzie.
Waren er andere mensen in het vertrek op het politiebureau aanwezig? Hoe lang was hij daar? Wat gebeurde er daarna? Waar ging hij naar toe? En alles wat relevant is of kan zijn omtrent de toedracht.’
Zonder deze processen-verbaal is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
eerste middelstelt de vraag aan de orde of het Hof aan de hand van concrete feiten en omstandigheden heeft gemotiveerd dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen beantwoorden.
tweede middelklaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek om de minderjarige zoon van de verdachte als getuige te horen zonder enige vorm van compensatie, althans zonder voldoende compensatie. Het berust kennelijk op de stelling dat compensatie (een aan het niet horen van de getuige tegenwicht biedende voorziening in verband met eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging) altijd moet worden geboden. Compensatie behoeft echter slechts te worden geboden als de verklaring van de niet bevraagde getuige ‘solely or to an decisive degree’ de uitkomst van de procedure bepaalt. [10]