Conclusie
[verdachte]
eerste middelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat het zogenaamde specialiteitsbeginsel in het overleveringsrecht er niet aan in de weg staat dat de verdachte wordt vervolgd ter zake van het hem onder 1. tenlastegelegde feit.
oplichting, zwendel, flessentrekkerij, bedrog, schurkenstreek”
tweede middelheeft dezelfde strekking als het voorgaande middel, maar nu ten aanzien van een ter terechtzitting van 20 juni 2012 gegeven oordeel dat in het daarvan opgemaakte proces-verbaal als volgt is weergegeven:
nietonder art. 2, tweede lid Kaderbesluit te brengen feiten het ontbreken van een overeenkomstige strafbaarstelling in het eigen recht een facultatieve weigeringsgrond oplevert (en dus niet als een verplichte weigeringsgrond mag worden gezien), doch overigens houdt art. 4, aanhef en onder 1ste Kaderbesluit niet méér in dan een verbod de overlevering te weigeren op de enkele grond dat de belastingheffing in het eigen rechtsstelsel anders is geregeld dan in de verzoekende Staat. Een bredere betekenis kan men aan deze bepaling niet toekennen. Verder kan men er niet omheen dat in de opsomming van art. 2, tweede lid, Kaderbesluit de vrij algemeen geformuleerde begrippen “fraude” en “vervalsing van administratieve documenten” zijn gehanteerd. Dat sluit belastingfraude en valsheid in belastingaangiften geenszins uit, en in de hiervoor reeds aangehaalde overwegingen van het Cour d’Appel (de overweging aanvangend met “Lorsque”) is geconstateerd dat naar Frans recht de kwalificatie van bijna alle in art, 2, tweede lid, Kaderbesluiten genoemde feiten, waaronder ‘fraude’ en ‘falsification de documents administratifs’ tot de exclusieve bevoegdheden van de verzoekende Staat behoort.
derde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde feit niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien die bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte diverse bescheiden heeft vervalst in de periode van 14 maart 2005 tot en met 25 april 2005, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat die vervalste geschriften op 9 maart 2005 zijn opgemaakt.
vierde middelkomt op tegen de bewezenverklaring ter zake van de onder 5 subsidiair en 12 tenlastegelegde feiten met de klacht dat het Hof niets of onvoldoende heeft vastgesteld omtrent gedragingen die ertoe konden bijdragen dat de criminele herkomst van het door eigen misdrijf verkregen voorwerp werd verborgen of verhuld, zoals de Hoge Raad blijkens diverse uitspraken, laatstelijk de arresten van 8 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264 en ECLI:NL:HR:2013:BX4585), verlangt.
Ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde:
op verhullen van de herkomstgerichte vorm van voorhanden hebben wordt gevonden in een gedraging die kennelijk gericht was op
buiten het zicht van schuldeisers of opsporingsambtenaren brengenvan dat voorwerp. Dat is niet hetzelfde, maar aan ‘verhullen van de criminele herkomst’ kan ‘buiten het zicht brengen’ wel bijdragen.