ECLI:NL:PHR:2013:2627

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2013
Publicatiedatum
27 februari 2014
Zaaknummer
12/04759
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 440 SvArt. 278 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste afwijzing aanhoudingsverzoek bij afwezigheid verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Arnhem waarin het aanhoudingsverzoek van de raadsman van de verdachte werd afgewezen nadat de verdachte niet op de terechtzitting verscheen. De verdachte was uit anderen hoofde gedetineerd en had bij een eerdere zitting wel persoonlijk aanwezig geweest. De raadsman verklaarde dat de verdachte graag bij de behandeling aanwezig wilde zijn, maar contact met hem kon niet worden gelegd.

De Hoge Raad overweegt dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte een fundamenteel recht is, ontleend aan artikel 6 EVRM Pro, en dat een aanhoudingsverzoek niet lichtvaardig mag worden afgewezen. Uit jurisprudentie volgt dat het onderzoek moet worden geschorst indien blijkt dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid, vooral wanneer hij uit anderen hoofde is gedetineerd.

Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het aanhoudingsverzoek werd afgewezen en had geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van de afwezigheid. De Hoge Raad acht dit onbegrijpelijk en vernietigt het arrest, verwijzend voor een nieuwe beslissing. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging tussen het belang van een behoorlijke strafvordering en het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de raadsman.

Conclusie

Nr. 12/04759
Mr. Spronken
Zitting: 17 december 2013
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 2 oktober 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/04759 en 12/04753. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
Mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelin samenhang met de toelichting gelezen, klaagt dat het Hof ten onrechte danwel onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn recht om op de terechtzitting van het Hof te verschijnen althans dat het Hof het aanhoudingsverzoek ten onrechte danwel onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 18 september 2012 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
wonende te [plaats], [a-straat 1],
thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn,
is niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr S. de Korte, advocaat te Utrecht, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.
(…)
De voorzitter deelt mede dat de oproeping aan verdachte voor deze zitting in persoon is betekend.
De raadsman verzoekt om een aanhouding van de behandeling van deze zaak.
De raadsman merkt daarbij op:
Ik ben verbaasd door de afwezigheid van de verdachte. Ik weet de reden daarvan niet. Wel weet ik dat hij graag bij de behandeling aanwezig wil zijn.
Het hof onderbreekt het onderzoek om de raadsman in de gelegenheid te stellen contact met de verdachte te zoeken.
Na de hervatting van het onderzoek deelt de raadsman mede dat zijn inspanningen tot niets hebben geleid en dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte.
De advocaat-generaal merkt op:
Ik heb geen dringende redenen gehoord die nopen tot een aanhouding van de behandeling van deze zaak.
Na een kort onderling beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof geen reden ziet om de behandeling van deze zaak aan te houden nu verdachte zonder opgave van reden niet ter terechtzitting aanwezig is en zijn raadsman uitdrukkelijk gemachtigd is.”
6. Het is mij niet geheel duidelijk wat het hof met bovenstaande overweging tot uitdrukking heeft willen brengen. De steller van het middel leest er een oordeel van het hof in dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Of het hof dat inderdaad bedoeld heeft, betwijfel ik. Het lijkt er meer op dat het hof een afweging heeft gemaakt van verschillende aan de orde zijnde belangen, waaronder die van de verdachte.
7. Hoe deze overweging ook moet worden opgevat, dit laat onverlet dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat er sprake is van afstand van het aanwezigheidsrecht en dat indien een verzoek tot aanhouding wordt gedaan als de verdachte niet op de zitting is verschenen, steeds in het concrete geval zal moeten worden bezien of het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht al dan niet tekort wordt gedaan. [1]
8. Nu het gaat om een fundamenteel aan art. 6 EVRM Pro ontleend recht van de verdachte, kan een aanhoudingsverzoek niet lichtvaardig worden afgewezen. Uit de jurisprudentie kunnen de volgende criteria worden afgeleid die bij een dergelijke beslissing een rol spelen:
- Het is standaard jurisprudentie dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - waaronder afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang komt, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder omstandigheden zwaarder kan wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. [2]
- In het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 12 maart 2002 ten aanzien van betekeningsvoorschriften en het aanwezigheidsrecht heeft de Hoge Raad onder andere bepaald dat in beginsel aanhouding voorgeschreven is wanneer op de terechtzitting blijkt dat de niet verschenen verdachte uit anderen hoofde is gedetineerd. [3]
- In zijn conclusie bij het arrest HR 9 mei 2000 [4] noemt mijn ambtgenoot Machielse een aantal criteria dat bij de belangenafweging van het al dan niet honoreren van een verzoek om aanhouding vanwege het aanwezigheidsrecht een rol zou kunnen spelen:
- of de verdachte is voorzien van rechtsbijstand en of de advocaat in staat is geweest de verdediging te voeren;
- de informatie over de (ernst van de) reden van verhindering van verdachte, de prognose en de toetsbaarheid ervan;
- het tijdsverloop dat met de behandeling van de zaak al is gemoeid geweest en nog zal zijn gemoeid in de toekomst;
- het relatieve gewicht van de zaak;
- de ernst van de aan de verdachte verweten gedragingen;
- en de zich aandienende meer of minder concrete verdedigingsbelangen.
9. Voor de beoordeling van het middel is tot slot de onderstaande overweging van de Hoge Raad van belang in een arrest van 26 oktober 2004, waarbij moet worden opgemerkt dat in deze zaak ook een raadsman was verschenen:
“Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben onder meer in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd. In dat geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn (vgl. HR 12 maart 2002, 2002, 317, rov. 3.34).” [5]
10. In onderhavige zaak was verdachte uit anderen hoofde gedetineerd en heeft zijn ter zitting verschenen raadsman aangegeven dat verdachte bij de behandeling aanwezig wilde zijn. Daarbij blijkt uit de stukken dat de verdachte bij de eerdere behandeling van de zaak op 13 april 2012 in persoon is verschenen. [6] Dat lijken mij duidelijke aanwijzingen dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De feiten dat de verdachte in detentie verbleef, dat ter zitting onduidelijk was wat de oorzaak van zijn afwezigheid was en dat hij niet telefonisch te bereiken was door zijn advocaat op het moment van de zitting, dienen naar mijn mening te worden meegewogen als omstandigheden die aanhouding rechtvaardigen. Er zou immers inderdaad iets mis kunnen zijn gegaan met het transport, zoals in het middel wordt aangevoerd. Het hof heeft er geen blijk van gegeven hier nader onderzoek naar te hebben gedaan.
11. Weliswaar kan de omstandigheid dat verdachte zijn raadsman uitdrukkelijk heeft gemachtigd de verdediging te voeren, zoals in casu het geval is, meewegen bij de afweging of een aanhoudingsverzoek moet worden gehonoreerd, het uitoefenen van het verdedigingsrecht mag mijns inziens niet over een kam worden geschoren met het aanwezigheidsrecht. Met andere woorden, als er een raadsman is verschenen die gemachtigd is, betekent dat nog niet dat alleen al op die grond een verzoek om aanhouding omdat de verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, kan worden afgewezen.
12. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet, dat het hof enige andere hiervoor onder 7 laatste gedachtestreepje weergegeven omstandigheden in zijn overwegingen heeft betrokken bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Ik ben dan ook van oordeel dat het hof het verzoek had moeten honoreren of de afwijzing nader had moeten motiveren. [7]
13. Het middel is terecht voorgesteld.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dat vloeit voort uit de rechtspraak van het EHRM, met name de zaak Collozza EHRM 12 februari 1985, NJ 1986, 685 en de zaak De Groot, EHRM 23 februari 1999, NJ 1999, 641 m. nt. Knigge. Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2011, p. 597 en p. 636-637 en M.J.A. Plaisier in Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, art. 278, aant. 6.
2.Zie het standaard arrest HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR: ZD1314 en HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4060, rov. 2.4.
3.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m. nt. Schalken, rov. 3.34.
5.HR 26 oktober 2004, ECLI:NL:HR:AR2105, rov. 3.6.
6.Ter terechtzitting van het Hof van 6 januari 2012 is de verdachte niet verschenen maar zijn raadsvrouw heeft aangevoerd dat zijzelf en de verdachte in de veronderstelling waren dat het op die terechtzitting om een andere zaak zou gaan .
7.Zie bijvoorbeeld HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6570.