De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens diefstal met bedreiging, met gelijktijdige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf van drie maanden. Namens verdachte zijn drie cassatiemiddelen ingediend, waarvan twee slaagden.
Het eerste middel betrof het niet beslissen door het hof op het verzoek om een getuige te horen, wat volgens de Hoge Raad nietigheid tot gevolg heeft. Het tweede middel richtte zich op de afwijzing van een ander getuigenverzoek, waarbij het hof vooruitliep op de inhoud van de verklaring van de getuige en onterecht aannam dat de getuige zijn eerdere verklaring zou moeten herroepen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onterecht aannam dat de getuige niet ter zitting gehoord hoefde te worden, omdat het hof niet mocht vooronderstellen dat de getuige zijn verklaring zou wijzigen. Ook werd het belang van de verdachte bij het horen van deze getuige benadrukt.
Het derde middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn, maar dit werd niet behandeld omdat de zaak vanwege de andere gronden werd vernietigd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het betrekking heeft op het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling en beslissing.