Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld voor schuldheling van twee kabelhaspels die hij op 21 augustus 2007 te Rotterdam bij zich had. Het hof achtte bewezen dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kabelhaspels door diefstal of een ander misdrijf waren verkregen, mede op basis van verklaringen van opsporingsambtenaren en de verdachte zelf.
De verdachte had verklaard de kabelhaspels te hebben gekregen van vrienden die in een kraakpand wonen, en achteraf te denken dat deze misschien gestolen waren. De Hoge Raad stelt dat het hof deze verklaring als bewijsmiddel gebruikte zonder nadere motivering waarom deze verklaring voor het bewijs relevant is, terwijl het vanzelfsprekend is dat verdachte dit achteraf zou kunnen denken.
Dit motiveringsgebrek is volgens de Hoge Raad van voldoende gewicht om het arrest te vernietigen, omdat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan het tot de conclusie kwam dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de kabelhaspels van een misdrijf afkomstig waren. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en zal een passende beslissing nemen op basis van art. 440 Sv Pro.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek in de bewijsvoering van schuldheling.