“De raadsman van de verdachte, mr. O.E. de Jong, heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde nu er - kort samengevat - geen enkel bewijs is dat de verdachte, die ontkent zijn penis in de mond van het slachtoffer te hebben gebracht, niet de waarheid spreekt.
Het hof acht op grond van na te noemen - in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vervatte - feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien evenwel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de mond van het slachtoffer seksueel is binnengedrongen.
Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft onderzoek gedaan naar biologische sporen en tevens DNA onderzoek verricht. Er is onder meer onderzoek verricht aan de bemonsteringen ‘omslag plooilippen tandvlees’ en ‘buitenzijde tanden’, welke bemonsteringen materiaal bevatten dat afkomstig is van het slachtoffer.
Uit het rapport van het NFI d.d. 21 april 2010, opgemaakt en ondertekend door de deskundige drs. ing. T.J.P. de Blaeij, blijkt dat van het DNA in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen ‘omslag plooilippen tandvlees’ en ‘buitenzijde tanden’ DNA-mengprofielen zijn verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van een man en een vrouw.
Het DNA-profiel van de verdachte matcht met de DNA-(neven)kenmerken in die DNA-mengprofielen. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze combinatie van afgeleide DNA-(neven)kenmerken is kleiner dan één op één miljard. De deskundige stelt dat, hoewel in de microscooppreparaten behorende bij genoemde bemonsteringen microscopisch geen spermacellen zijn aangetroffen, de uitslag van het DNA-onderzoek een sterke aanwijzing geeft voor de aanwezigheid van (een geringe hoeveelheid) spermacellen in beide bemonsteringen.
In haar aanvullende rapport van 6 augustus 2010 stelt De Blaeij dat met de zogeheten PSA-test - een test waarmee wordt onderzocht of bemonsteringen het eiwit ProstaatSpecifiek Antigeen (PSA) bevatten, een eiwit dat in hoge concentratie voorkomt in spermavloeistof - een sterke aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van menselijk spermavloeistof in de bemonsteringen ‘omslag plooilippen tandvlees’ en ‘buitenzijde tanden’ en dat in samenhang met het resultaat van het DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat zich in die bemonsteringen een gering aantal spermacellen heeft bevonden. De Blaeij heeft die conclusie ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 november 2010 nader toegelicht (proces-verbaal van de terechtzitting , p. 22 e.v.). Zij heeft verklaard - verkort en zakelijk weergegeven - dat bij de isolatie van DNA eerst een milde lysis wordt gedaan, waarbij alle cellen die geen spermacellen zijn (en mitsdien een zachtere celwand hebben) worden opengemaakt zodat het DNA eruit kan komen. Het DNA dat uit die cellen komt, wordt in de milde lysisfractie opgeslagen en daar wordt een DNA-profiel van gemaakt. Vervolgens blijven in het ideale geval alleen de spermacellen over. Die spermacellen worden gelyseerd met een iets stevigere methode, zodat ook spermacelwanden kapot gaan. Dit betreft een tweede fractie, stringente lysisfractie genoemd, en daarin zit het DNA van spermacellen. Van het DNA van de spermacellen wordt een apart DNA-profiel gemaakt. Omdat de DNA-kenmerken die matchen met de DNA-kenmerken van de verdachte alleen in die stringente lysisfractie (zijn aangetroffen), is dat een extra ondersteuning voor de conclusie dat in die fractie ook daadwerkelijk spermacellen moeten hebben gezeten.
De Blaeij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg weliswaar verklaard dat het PSA-eiwit niet alleen voorkomt in spermavloeistof, maar ook in het bloed van patiënten met prostaatkanker, maar het hof overweegt hieromtrent dat door de verdediging is gesteld noch is gebleken dat de verdachte prostaatkanker heeft.
Het hof stelt op grond van de bevindingen en conclusies van deskundige De Blaeij vast, dat zich in de mond van het slachtoffer, te weten bij de omslag plooilippen tandvlees en bij de buitenzijde van de tanden, spermavloeistof bevond en dat deze spermavloeistof afkomstig is van de verdachte.
Het hof stelt voorts vast dat niet alleen spermavloeistof, maar ook sperma van de verdachte op het slachtoffer is aangetroffen. Uit het rapport van het NFI d.d. 15 juli 2010, opgemaakt en ondertekend door de deskundige drs. ing . T.J.P. de Blaeij, blijkt immers dat in de bemonstering van de spijkerbroek verkregen van de buitenzijde van de voorkant van de broek boven de knoopssluiting spermacellen zij waargenomen. Het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal kan afkomstig zijn van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal is kleiner dan één op één miljard.
Omtrent het aantreffen van sperma(vloeistof) op het slachtoffer heeft de verdachte tegenover de politie het volgende verklaard (VVl.la, p. 5 e.v., VV1.2, p. 11 e.v., VV1.6, p. 12 e.v., VV1.8, p. 2 e.v.), verder door het hof aan te duiden als ‘scenario A’. Nadat hij het slachtoffer in de badkamer van zijn woning had gewurgd is hij naar beneden gelopen, heeft hij een paar vuilniszakken gepakt en daarmee het slachtoffer op de bovenverdieping half ingewikkeld. De verdachte heeft daarbij een hele vuilniszak over het hoofd van het slachtoffer getrokken en met plakband vastgeplakt. Daarna is hij naar beneden gegaan en heeft hij een condoom gepakt en zichzelf afgetrokken. Toen hij het condoom in de keuken weg wilde gooien, schrok hij van iets dat zich buiten afspeelde. Hierdoor liet hij het condoom vallen en hij heeft gezien dat daarbij sperma op de keukenvloer terecht kwam. Daarna heeft hij het slachtoffer naar beneden gesleept en de verdachte vermoedt dat hij het slachtoffer bij het naar buiten brengen toen door het sperma heeft gesleept, omdat hij zag dat er een flap van een vuilniszak omsloeg en hij toen vlekken op de broek van het slachtoffer constateerde.
De verdediging gaat ter terechtzitting in hoger beroep uit van een iets andere lezing, zoals die ook door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg als mogelijkheid is geopperd, en die door het hof verder aangeduid wordt als ‘scenario B’. De verdachte heeft, nadat hij het slachtoffer had gedood, zich beneden op de bank afgetrokken met een condoom om. Hij heeft het condoom laten vallen, als gevolg waarvan sperma op de keukenvloer terecht kwam. Hij heeft dit opgeruimd. Pas hierna heeft de verdachte het slachtoffer verpakt in vuilniszakken en haar lichaam naar buiten gebracht, waarbij hij haar onder andere over de keukenvloer heeft gesleept. De spermacellen in de mond van het slachtoffer kunnen aldus bij wege van ‘secondary transfer’ in de mond van het slachtoffer terechtgekomen zijn.
Daarnaast wijst de verdediging op een mogelijk ‘scenario C’, waarbij de verdachte spermacellen aan zijn handen kan hebben gehad en ze op die manier eveneens bij wege van ‘secondary transfer’ kan hebben overgebracht bij het verpakken van het lichaam. (Alles blz. 15 pleitnota mr. O.E. de Jong).
Kenmerkend aan de scenario’s A en B is dat (in ieder geval) het hoofd van het slachtoffer verpakt was in vuilniszakken op het moment dat zij verplaatst werd
vanuit de badkamer via de keuken naar buiten. Het hof acht niet aannemelijk dat door het slepen van het lichaam van het slachtoffer over de keukenvloer spermavloeistof in de mond van het slachtoffer is gekomen, aangezien in deze scenario’s het slachtoffer een dichtgeplakte vuilniszak om haar hoofd had toen de verdachte haar naar beneden bracht en het niet aannemelijk is dat zij onder die omstandigheden spermavloeistof op twee plaatsen in haar mond heeft kunnen krijgen. Daar komt bij dat door de politie is geconstateerd dat de vuilniszakken geen beschadigingen bevatten en het zodoende niet aannemelijk is dat de verdachte het slachtoffer überhaupt heeft gesleept van de bovenverdieping door de keuken naar het graf.
Dat de verdachte spermacellen heeft overgebracht in de mond van het slachtoffer bij het verpakken van het hoofd in vuilniszakken, acht het hof evenmin aannemelijk geworden. In geen van de door de verdachte tegenover de politie afgelegde gedetailleerde verklaringen over de feitelijke toedracht, noch in de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is dit door de verdachte ook expliciet beschreven. Een toevallige aanraking van de moeilijk bereikbare vindplaatsen van de sporen, met name waar het betreft de omslagplooi lippen tandvlees acht het hof niet aannemelijk.
Bij gebrek aan aannemelijkheid van de door de verdachte geschetste scenario’s blijft de vraag hoe spermavloeistof in de mond van het slachtoffer is terechtgekomen. Voor de beantwoording van die vraag slaat het hof acht op de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard (VVl.2, p. 9 e.v.) dat hij de trui van het slachtoffer heeft opgetild en dat hij de borsten van het slachtoffer heeft aangeraakt. Hij heeft voorts verklaard dat het in hem is opgekomen hoe het zou zijn om het met haar te doen, dat hij zijn broek heeft losgemaakt en over zijn boxershort is gaan wrijven, dat het slachtoffer op dat moment op haar knieën naast hem zat, dat hij op de rand van de wc zat en dat het slachtoffer hem heeft gevraagd of hij haar alstublieft niet wilde neuken. De verdachte heeft tevens verklaard dat de politie wat op de broek van het slachtoffer zal vinden en dat dit van hem is. De verdachte heeft later tegenover de politie verklaard (VV1.6, p. 9 e.v.) dat, toen hij zich met het slachtoffer in de badkamer van zijn woning bevond, hij tegen het slachtoffer heeft gezegd dat zij op het badmatje moest knielen, hij zich afvroeg of hij seks zou kunnen hebben met zo iemand die hij had meegenomen, hij het slachtoffer wilde aanraken op de borsten, het kruis en de billen, hij de bh van het slachtoffer heeft omgeklapt en dat hij denkt dat hij de bh niet meer goed heeft gedaan.
De verklaringen van de verdachte omtrent (zijn gedachten aan) seksuele handelingen met het slachtoffer worden ondersteund door de bevindingen van de politie omtrent de kleding van het slachtoffer. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek van de politie d.d. 22 mei 2010 blijkt dat de ritssluiting van de spijkerbroek van het slachtoffer geopend was, dat de sluitknoop aan de voorzijde van de spijkerbroek los in het knoopsgat zat (het hof begrijpt: niet meer aan de broek bevestigd zat), en dat de linkercup van de bh van het slachtoffer naar binnen was gevouwen.
De ex-vriendin van de verdachte, [betrokkene], heeft tegenover de politie verklaard (1.G1.5, p. 9) dat de verdachte gek was op gepijpt worden. Andere ex-vriendinnen hebben zich in gelijke zin uitgelaten. Ook heeft ex-vriendin [betrokkene] verklaard dat de verdachte veel porno op de computer bekeek en dat die porno in ieder geval vaak met pijpen te maken had.
Uit een en ander leidt het hof af dat de verdachte belangstelling heeft voor orale seks en graag oraal bevredigd wordt. De verdachte heeft gezegd dat hij op de wc zat en dat hij het slachtoffer op haar knieën naast/voor hem heeft doen zitten. Dit geeft ondersteuning voor de veronderstelling dat hij haar ook in een positie heeft gebracht om gemakkelijk orale seks met haar te kunnen hebben. In deze omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof bewezen dat de spermavloeistof in de mond van het slachtoffer is terecht gekomen, doordat de verdachte met zijn penis in haar mond is binnengedrongen.”