Conclusie
Pedro IV Servicios [23] , geoordeeld dat voor de toepasselijkheid van art. 5 sub a Groepsvrijstelling Pro moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden: producten moeten worden verkocht uit een lokaal én grond(en) die eigendom zijn van de leverancier (situatie 1),
ofproducten moeten worden verkocht uit een lokaal én grond(en) die de leverancier huurt van een niet met de afnemer/wederverkoper verbonden partij (situatie 2). In de rov. 4.11-4.12 heeft het hof overwogen dat noch aan situatie 1 noch aan situatie 2 wordt voldaan, waardoor het exclusieve afnamebeding in de exploitatieovereenkomsten niet van art. 5 sub a Groepsvrijstelling Pro kan profiteren (rov. 4.13). Dat brengt naar het oordeel van het hof met zich dat, indien genoemd exclusief afnamebeding met art. 6 lid 1 Mw Pro in strijd is, dit beding niet op grond van art. 12 Mw Pro [24] van dat verbod is vrijgesteld. Vervolgens heeft het hof zich afgevraagd of het exclusieve afnamebeding met art. 6 Mw Pro in strijd is. Volgens het hof is gesteld noch gebleken dat op grond van art. 7 Mw Pro, art. 6 Mw Pro niet voor genoemd afnamebeding zou gelden (de rov. 4.14-4.15). Partijen zelf hebben ter zitting verklaard dat het afnamebeding naar hun mening niet de strekking heeft de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen, beperken of vervalsen, zodat de vraag aan de orde komt of het afnamebeding tot gevolg heeft dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst (rov. 4.17). Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad [25] heeft het hof voorts overwogen dat de partij die een beroep doet op de nietigheidssanctie van art. 6 Mw Pro, mede dient te stellen en bij voldoende gemotiveerde tegenspraak dient te bewijzen, dat van een merkbare verstoring van de mededinging in de desbetreffende markt sprake is (rov. 4.19). Nu partijen daarover slechts zeer beperkt hebben gedebatteerd, heeft het hof [verweersters] in de gelegenheid gesteld bij akte hun stelling dat het exclusieve afnamebeding op grond van art. 6 Mw Pro is verboden, nader te onderbouwen, waarna BP gelegenheid zal krijgen hierop te reageren. Voor het overige heeft het hof iedere beslissing aangehouden (rov. 4.19-4.20).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
.In het genoemde arrest volgde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat voor toepasselijkheid van de uitzondering van art. 5 sub a Groepsvrijstelling Pro is vereist dat de producten moeten worden verkocht uit een lokaal én grond(en) die eigendom zijn van de leverancier (situatie 1),
ofuit een lokaal én grond(en) die de leverancier huurt van een niet met de afnemer/wederverkoper verbonden partij (situatie 2), en dat, nu noch situatie 1, noch situatie 2 zich voordoet, het litigieuze afnamebeding in de exploitatieovereenkomsten niet van de uitzondering van art. 5 sub a Groepsvrijstelling Pro kan profiteren.
niet ertoe strektde mededinging te beperken, zodat het erop aankomt te beoordelen of het beding een zodanige beperking
tot gevolg heeft(rov. 2.5-2.7). Om dat te beoordelen heeft het hof eerst de relevante markt afgebakend (rov. 2.8-2.10). Dienaangaande heeft het hof (in rov. 2.10) geoordeeld dat, nu het exclusieve afnamebeding waartegen [verweersters] zich verzetten zich in zijn gevolgen primair afspeelt op de markt voor bevoorrading van tankstations, dit in ieder geval de relevante markt is. Vervolgens heeft het onderzocht of het litigieuze beding de mededinging op die markt op een merkbare wijze verstoort (rov. 2.11-2.17).
Gevolgen
Delimitis [30] - dat handelde over een bierleveringscontract - het meest complete draaiboek. Daarin overwoog het Hof van Justitie onder meer:
Om te beoordelen, hoe groot de bijdrage van de door een brouwerij gesloten bierleveringscontracten aan bovenbedoelde cumulatieve afschermende werking is, moet worden gelet op de marktpositie van de contractpartijen. Die positie hangt niet alleen af van het marktaandeel van de brouwerij en van de groep waartoe zij in voorkomend geval behoort, maar ook van het aantal aan de brouwerij of aan haar groep gebonden verkooppunten in verhouding tot het totale aantal op de relevante markt vastgestelde drankgelegenheden.
Delimitisgeldt ook voor andere verticale contracten, waaronder overeenkomsten tussen een leverancier van motorbrandstoffen en een tankstation zoals in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Op een dergelijke overeenkomst zag het arrest
Neste [31] , waarin het Hof van Justitie overwoog:
Delimitis) ligt echter tevens besloten dat een cumulatief effect met soortgelijke overeenkomsten op zichzelf
nietvoor een relevante marktafscherming volstaat, zelfs niet als aannemelijk is dat de mogelijkheid van toegang tot de markt daardoor aanzienlijk wordt beïnvloed. Volgens het Hof van Justitie moet dan vervolgens acht worden geslagen op andere elementen die de toegang tot de betrokken markt eveneens bepalen. In dat verband moet worden onderzocht of er voor nieuwe concurrenten reële en concrete mogelijkheden bestaan, onder meer om door opening van nieuwe verkooppunten de bestaande netwerken te omzeilen. Voorts moet rekening worden gehouden met de mededingingsverhoudingen op de betrokken markt, in het bijzonder met het aantal en de grootte van de leveranciers, de verzadigingsgraad van de betrokken markt en de getrouwheid van de consument aan bestaande merken (arrest
Delimitis, punten 21-22).
“en er dus sprake is van een cumulatief effect”, afgeleid
“dat het exclusieve afnamebeding (…) een merkbare beperking van de mededinging op de relevante markt ten gevolge heeft.”De lange looptijd van het litigieuze beding, het door het hof aangenomen marktaandeel van BP op de relevante markt (11 à 12%) en het (onbestreden) gegeven dat een groot deel van dit marktdeel is gebonden, zijn weliswaar van belang voor een beoordeling van de mate waarin de door BP gesloten overeenkomsten aan een mogelijke cumulatieve marktafschermende werking bijdragen, maar kunnen mijns inziens niet de conclusie dragen dat van een dergelijke marktafschermende werking sprake is. Die conclusie kan evenmin worden gedragen door het oordeel dat tevens van een cumulatief effect sprake is, nu de concurrenten van BP zich op de relevante markt veelal van dit soort exclusieve afnamebedingen bedienen. Een cumulatief effect zoals door het hof in rov. 2.16 bedoeld, leidt immers niet zonder meer tot een cumulatieve afscherming van de markt. Of een cumulatief effect zoals bedoeld in een dergelijke cumulatieve afscherming van de markt resulteert, hangt volgens het Hof van Justitie bovendien af van de (on)mogelijkheden voor nieuwkomers om zich bij de gegeven stand van zaken een aandeel op de betrokken markt te verwerven (zoals door het openen van eigen verkooppunten), alsmede van de mededingingsverhoudingen, in het bijzonder het aantal en de grootte van de leveranciers, de verzadigingsgraad van de betrokken markt en de getrouwheid van de consument aan bestaande merken. Op die bijkomende aspecten is het hof niet ingegaan; evenmin heeft het vastgesteld dat het in rov. 2.16 bedoelde cumulatieve effect erin resulteert dat de relevante markt voor concurrenten moeilijk toegankelijk is. Reeds in zoverre acht ik de klachten van het subonderdeel gegrond.
in het algemeenbedongen duur lijkt te betreffen (zie het arrest
Delimitis, punt 26:
“(…) Een brouwerij met een betrekkelijk klein marktaandeel, die haar verkooppuntenjarenlang aan zich bindt, kan namelijk evenzeer tot een marktafscherming bijdragen als een brouwerij met een vrij sterke marktpositie, die haar verkooppunten in de regelna kortere tijd van de binding bevrijdt.”; onderstrepingen toegevoegd; LK).
consumenten. Partijen hebben naar aanleiding daarvan uitvoerig gedebatteerd over de afbakening van de relevante product- en geografische markt en de positie van BP op
diemarkt. Over het cumulatieve effect van de tussen BP en [verweersters] geldende exclusieve afnameverplichtingen tezamen met vergelijkbare contractbepalingen van andere partijen op de markt hebben [verweersters] volgens het subonderdeel niet of nauwelijks gemotiveerde, laat staan met feiten onderbouwde, stellingen aangevoerd. [verweersters] gingen uit van een onjuiste, door het hof in de rov. 2.8-2.10 verworpen marktafbakening, zodat het dienaangaande door [verweersters] gestelde (in ieder geval) voor een beoordeling van de merkbaarheid op de door het hof in rov. 2.10 bepaalde relevante markt irrelevant is. BP heeft daarentegen gemotiveerd en onder aanvoering van voorbeelden gesteld dat er (voldoende) toetredingsmogelijkheden tot de markt bestaan: gewezen is op het ontstaan van onbemande tankstations in de nabije omgeving van de stations van [verweersters], de wisselingen in stations en het ontstaan van nieuwe stations, aldus het subonderdeel.
strekkingheeft de mededinging te beperken, hebben zij, voor het geval dat het hof daarover anders zou oordelen, subsidiair de opvatting verdedigd dat het beding sinds die datum tot
gevolgheeft dat de mededinging op de relevante markt wordt beperkt en daartoe verwezen naar hun akte na tussenarrest van 30 maart 2010 onder 10-12. Blijkens het gestelde in die akte onder 11 hebben [verweersters] zich daarin op het standpunt gesteld dat het exclusieve afnamebeding gedurende zeer lange tijd de concurrentie op de markt voor de bevoorrading van tankstations (groothandel in motorbrandstoffen) én de markt voor de afzet van brandstoffen aan eindverbruikers (detailhandel in motorbrandstoffen) verhindert en beperkt. Ook wat betreft de positie (het marktaandeel) van BP hebben [verweersters] zich niet tot stellingen met betrekking tot de retailmarkt beperkt. In de akte na tussenarrest van 27 september 2011 onder 39 hebben [verweersters] voor beide markten marktaandelen van BP gesteld, te weten van 40% respectievelijk 30% op de relevante lokale respectievelijk regionale retailmarkt en van 11 à 12% op de nationale groothandelsmarkt (onder vermelding dat dit marktaandeel in 2005 14% was).
“toetredingsmogelijkheden tot de markt”zijn. Nog afgezien van het feit dat BP op de aangegeven plaats niet verduidelijkt op welke markt zij het oog heeft (in de genoemde akte onder 43 merkt BP op dat behalve de productmarkt voor retailverkoop vanuit tankstations aan eindconsumenten ook de daarvan te onderscheiden markt voor de bevoorrading van tankstations aan de orde is) en voorts nog afgezien van het feit dat BP op de genoemde plaats (onder 51-52) lijkt te doelen op de mogelijkheden van vestiging van nieuwe
tankstationsc.q. van wisseling van merk door bestaande tankstations en niet, althans niet rechtstreeks, op de mogelijkheid van toetreding van nieuwe
leverancierstot de nationale markt voor de levering van motorbrandstoffen aan tankstations (overigens hangt het een wel met het ander samen), kan het hof het (veronderstelde) oordeel met betrekking tot een cumulatief marktafschermend effect uiteraard niet op die stellingen van BP baseren, ook niet als het hof die stellingen als zodanig als onvoldoende onderbouwd zou hebben beschouwd. Het lag op immers op de weg van [verweersters] om (een mededingingsbeperking in de vorm van) een cumulatief marktafschermend effect te stellen, aannemelijk te maken en zo nodig te bewijzen, waarbij de bedoelde stellingen van BP (waaruit voortvloeide dat er naast reeds gebonden tankstations in elk geval steeds mogelijkheden zijn voor nieuwe tankstations en voor wisselingen van merk door bestaande tankstations) die stelplicht van [verweersters] eerder verzwaarden dan dat zij daaraan afdeden.
“er dus sprake is van een cumulatief effect”op grond waarvan naar ’s hofs oordeel het onderhavige exclusieve afnamebeding een merkbare beperking van de mededinging op de relevante markt ten gevolge heeft, zulks zonder te onderzoeken of en vast te stellen dat de nationale markt voor bevoorrading van tankstations moeilijk toegankelijk is en de onderhavige afnamenverplichting daaraan een belangrijke bijdrage levert.
“(…) Tussen partijen is niet in geschil (…)”) ontleend aan de akte na tussenarrest van [verweersters] van 30 maart 2010 onder 35:
“De markt voor de bevoorrading van tankstations (groothandel in motorbrandstoffen) is een nationale markt. BP heeft op deze markt nu een marktaandeel van ongeveer 11 à 12%. (…)”. Het subonderdeel betoogt niet onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties dat BP heeft betwist dat het genoemde marktaandeel inderdaad het in maart 2010 actuele (
“nu”) marktaandeel van BP op de relevante groothandelsmarkt zou betreffen.
Nu niet is voldaan aan deze van de vier cumulatieve vereisten, gaat de uitzondering van artikel 6 lid 3 Mw Pro al niet op.”
Subonderdeel 2Aklaagt in de eerste plaats onder 2.2.1 dat het hof heeft verzuimd in te gaan op de uitdrukkelijke stelling van BP dat slechts één beperkt onderdeel van de tussen partijen bestaande overeenkomst(en) - te weten de na 1 januari 2002 voortdurende toepasselijkheid van de alleenafnameverplichting - niet valt onder de Groepsvrijstelling. Volgens het subonderdeel vormden in dat licht slechts de ratio, efficiencywinsten en consumentenvoordelen van de duur (vanaf 1 januari 2002) in het kader van de voorwaarden van art. 6 lid 3 Mw Pro onderwerp van onderzoek en toetsing, hetgeen bepalend is voor de (omvang van de) stelplicht en de toepassing van art. 6 lid 3 Mw Pro. In dat verband heeft het hof ten onrechte evenmin aandacht gegeven aan de stelling van BP dat het onderhavige afnamebeding (in ieder geval) door de groepsvrijstellingsverordeningen 1984/83 [32] en 2790/1999 [33] tot 1 januari 2002 werd vrijgesteld, zodat (in ieder geval) slechts voor de duur vanaf die datum een beroep op art. 6 lid 3 Mw Pro wordt gedaan.
“Nu het exclusieve afnamebeding in strijd is met artikel 6 lid 1 Mw Pro. komt het hof toe aan het beroep op artikel 6 lid 3 Mw Pro.”). De bestreden overweging biedt geen grond voor de veronderstelling dat het hof dit laatste bij de beoordeling van de (on)toereikendheid van de stellingen van BP ter zake zou hebben miskend. Evenmin zie ik grond voor de veronderstelling dat het hof zou hebben miskend dat BP zich in verband met de tot 1 januari 2002 geldende vrijstelling slechts voor de duur vanaf die datum op art. 6 lid 3 Mw Pro heeft beroepen (waarbij ik overigens aanteken dat de vordering van [verweersters] zich tot de periode na 1 januari 2004 beperkt; zie rov. 2.33).
“Zoals het hof reeds in de rechtsoverwegingen 4.14 en 4.15 van zijn tussenarrest heeft overwogen, komt, nu het exclusieve afnamebeding niet kan profiteren van de Groepsvrijstelling, aan de orde of genoemd beding, zoals [verweersters] heeft gesteld, leidt tot strijd met artikel 6 lid 1 Mw Pro.”).
waarborgen, is onjuist, reeds omdat de gelding van een groepsvrijstelling geenszins waarborgt dat alle arrangementen op de betrokken markt aan de voorwaarden van de betreffende groepsvrijstelling voldoen (en evenmin waarborgt dat zich geen andere vormen van verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging, zoals misbruik van machtspositie of ontoelaatbare staatssteun, op die markt voordoen). Evenzeer onjuist is de veronderstelling van het subonderdeel dat de gelding van een groepsvrijstelling een cumulatief effect van door de leveranciers op de betrokken markt doorgaans gehanteerde exclusieve afnamebedingen zou verhinderen. Veelal gehanteerde exclusieve afnamebedingen, vrijgesteld of niet, hebben de facto een cumulatief effect op de mogelijkheid van toegang tot de betrokken markt; daaraan doet niet af dat de Commissie in het kader van een groepsvrijstelling dat cumulatieve effect (of beter: de bijdrage aan dat effect van exclusieve afnamebedingen die aan de voorwaarden van de groepsvrijstelling voldoen) voor lief neemt.
niet ertoe strekt, maar (slechts)
ten gevolgeheeft of kan hebben, dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Ter adstructie wijst het onderdeel (verkort weergegeven) op de vier volgende punten:
Pedro IV), C-260/07, ECLI:NL:XX:2009:BI0828, Jurispr. 2009, p. I-2437, en HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2809, NJ 2011/513 m.nt. M.R. Mok. Voorts is volgens het onderdeel van belang dat de gevolgen voor de mededinging op de Nederlandse markt, indien al voldoende merkbaar om toepassing van het kartelverbod te rechtvaardigen, in ieder geval zeer beperkt (zullen) zijn.
Prisma c.s.), ECLI:NL:HR:2009:BJ9439, NJ 2010/140 m.nt. M.R. Mok, als volgt overwogen:
strekkingtoekwam. Weliswaar hield dat oordeel in cassatie geen stand, maar dat neemt niet weg dat het door de Hoge Raad gesauveerde oordeel over de onmogelijkheid van conversie een vanwege haar
strekkingmet art. 6 lid 1 Mw Pro strijdig beding betrof. Noch het oordeel van het hof noch dat van de Hoge Raad dienaangaande maakt echter onderscheid tussen vanwege hun strekking en vanwege hun gevolgen met art. 6 lid 1 Mw Pro strijdige overeenkomsten; veeleer lijkt aan die oordelen de aard van de (op beide soorten overeenkomsten toepasselijke) sanctie van art. 6 lid 2 Mw Pro ten grondslag te liggen.
Banco Español de Crédito), C-618/10, ECLI:NL:XX:2012:BW9433, NJ 2012/512 m.nt. M.R. Mok, heeft het Hof van Justitie overwogen:
T-Mobile [35] art. 101 VWEU Pro in vergelijkbare bewoordingen van (Unierechtelijke) openbare orde heeft verklaard. Zou in verband met dit laatste ook conversie van met art. 101 VWEU Pro strijdige overeenkomsten uitgesloten moeten worden geacht, dan zou dit overigens op zichzelf niet tot een zelfde conclusie ten aanzien van met art. 6 lid 1 Mw Pro strijdige overeenkomsten nopen. Anders dan art. 101 VWEU Pro in de rechtsorde van de Europese Unie, is art. 6 Mw Pro in de nationale rechtsorde immers
nietvan openbare orde [36] .
Prisma c.s. [40] heb ik verdedigd dat, waar de nietigheid op art. 6 lid 2 Mw Pro berust, de bepalingen van titel 3.2 van het Burgerlijk Wetboek, waaronder art. 3:42 BW Pro, in beginsel wél van toepassing zijn. Ik heb daaraan echter toegevoegd dat voor wettelijke conversie naar mijn mening geen plaats is, als de betrokken bedingen
naar hun strekkingde mededinging beperken, omdat een toelaatbaar alternatief voor een
naar haar strekkingmet de mededingingsregels strijdig en deswege nietig beding zich althans binnen het kader van art. 3:42 BW Pro niet laat denken (vergelijk het hiervóór onder 2.27 sub (i) weergegeven argument van het onderdeel). Dat laatste geldt niet voor overeenkomsten die (niet naar hun
strekking, maar) naar hun
gevolgenmet art. 6 lid 1 Mw Pro in strijd zijn. Art. 3:42 BW Pro verlangt immers geen overeenstemming tussen de oorspronkelijke en alternatieve rechtshandeling naar hun
gevolgen, maar naar hun
strekking; in dat verband heeft het hof in rov. 2.30 overigens ten onrechte van
“(w)ettelijke conversie (…) op grond van art. 3:42 BW Pro in een bepaling met hetzelfde effect”gesproken. De hiervóór (onder 2.28) reeds geciteerde overwegingen uit het arrest
Prisma c.s.roepen echter de vraag op of zij nog ruimte voor conversie van naar hun
gevolgenmededingingsbeperkende bedingen laten. Daarvóór pleit dat in de zaak
Prisma c.s.een naar haar
strekkingmededingingsbeperkend beding aan de orde was, daartégen dat de betrokken overwegingen (naar de mrs. Heering en Essed in hun schriftelijke toelichting onder 39-48 op zichzelf terecht aanvoeren) algemeen zijn geformuleerd en niet zozeer aanhaken bij het verbod van art. 6 lid 1 Mw Pro (waarin het onderscheid tussen naar hun strekking en naar hun gevolgen mededingingsbeperkende overeenkomsten ligt verankerd), als wel bij de op dat verbod (zonder onderscheid) gestelde sanctie van nietigheid van rechtswege. Bij die stand van zaken meen ik dat de doorslag zou moeten geven of de kennelijk aan het arrest
Prisma c.s.ten grondslag liggende ratio van de uitsluiting van conversie, te weten het behoud van de afschrikkende werking van de nietigheidssanctie, ook bij vanwege hun gevolgen met art. 6 lid 1 Mw Pro strijdige overeenkomsten opgeld doet.
strekkingmet art. 6 lid 1 Mw Pro strijdige overeenkomsten in sterkere mate opgeld doet dan ten aanzien van overeenkomsten die (“slechts”) naar hun
gevolgenmet art. 6 lid 1 Mw Pro in strijd blijken. Het zijn immers vooral marktpartijen met de bedoeling de mededinging te beperken, die zich (mogelijk) door de absolute nietigheid zullen laten afschrikken. Partijen die te goeder trouw een overeenkomst sluiten die, zonder dat zij daarop bedacht zijn, een beperking van de mededinging tot gevolg heeft, zijn daarentegen voor afschrikking niet vatbaar (vergelijk het hiervóór, onder 2.27 sub (iii) weergegeven argument van het onderdeel; ik laat hier overigens in het midden of een dergelijke situatie, zoals het onderdeel suggereert, zich in de onderhavige zaak daadwerkelijk heeft voorgedaan). Nu is het beeld niet zo zwart-wit als ik het hier schets. In de praktijk komt het dikwijls voor dat partijen (vooral grote, commerciële partijen), zonder de bedoeling te hebben de mededinging te beperken, zich het risico van mededingingsbeperkende gevolgen van de beoogde overeenkomst terdege bewust zijn. De absolute nietigheid zou ook het gedrag van zulke partijen kunnen beïnvloeden en hen tot (extra) voorzichtigheid (en misschien wel tot te veel voorzichtigheid; zie het hiervóór onder 2.27 sub (iv) weergegeven argument van het onderdeel) kunnen aanzetten. Ook tegen die achtergrond is een onderscheid tussen naar strekking en naar gevolgen mededingingsbeperkende overeenkomsten echter minst genomen verdedigbaar; de in wezen als straf fungerende (en als zodanig overigens slecht in het privaatrecht passende) absolute nietigheid (leidende tot het verlies van de in art. 3:42 BW Pro vervatte aanspraak op de gelding van een wél met het mededingingsrecht verenigbaar alternatief) wordt daarmee in elk geval tot de zwaarste categorie inbreuken op het kartelverbod beperkt. Een overweging zou nog kunnen zijn dat met een dergelijke beperking een verschil in regime ontstaat tussen beide soorten (naar strekking respectievelijk naar gevolgen mededingingsbeperkende) overeenkomsten; dat bezwaar is echter relatief, nu voor beide soorten overeenkomsten hoe dan ook reeds een uiteenlopend regime geldt, in het bijzonder wat betreft de al dan niet bestaande noodzaak de gevolgen van de overeenkomst te onderzoeken. Een overweging zou voorts kunnen zijn dat, zoals het Hof van Justitie in de geciteerde consumentenzaak ook heeft benadrukt, een uitsluiting van conversie het instrument van partiële nietigheid onverlet laat. Zoals bij de bespreking van onderdeel 4 nog aan de orde zal komen, is partiële nietigheid echter een betrekkelijk grof instrument, waarmee geen maatwerk kan worden geleverd. Waar mogelijk verdient conversie mijns inziens de voorkeur, omdat daarmee, anders dan met (partiële) nietigheid, optimaal kan worden aangesloten bij de oorspronkelijke en niet op mededingingsbeperking gerichte bedoeling van partijen, zulks op een wijze die evenals (partiële) nietigheid van het betrokken beding mededingingsbeperkende gevolgen uitsluit. Aangenomen dat het arrest
Prisma c.s.daarvoor (anders dan in de literatuur wel wordt verdedigd [41] ) nog ruimte laat, zou ik menen dat conversie van naar hun gevolgen met art. 6 lid 1 Mw Pro strijdige overeenkomsten niet a priori zou moeten worden uitgesloten en dat de daarop gerichte klachten van het onderdeel in zoverre gegrond zijn.
nietbepalend is, of gelet op inhoud en strekking van de overeenkomst, het overige deel van de exploitatieovereenkomsten nog een voor beide partijen zinvolle regeling geeft, waarmee de door partijen met de overeenkomst nagestreefde doeleinden nog gedeeltelijk worden gerealiseerd. Volgens het onderdeel is bepalend voor het antwoord op die vraag of partijen de overeenkomst ook zonder het nietige gedeelte zouden zijn aangegaan, althans of redelijk handelende personen, gelet op hun objectief vast te stellen motieven bij het aangaan van de overeenkomst, deze overeenkomst ook zonder het nietige gedeelte zouden zijn aangegaan.
“voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat”, géén wijziging is beoogd ten opzichte van hetgeen naar oud recht in de rechtspraak werd aangenomen. Het artikel, dat bij de parlementaire behandeling daarvan nauwelijks tot discussie aanleiding heeft gegeven, is geheel gelijk aan het overeenkomstige art. 3.2.9 van het Ontwerp Meijers, dat is toegelicht met de opmerking [42] :
NJ1941 no. 940 (…).”
Van der Molen/Erven De Lange Klaasz [43] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de nietigheid van slechts één beding de nietigheid van het geheel met zich brengt
“indien hetzij vanwege den aard van het gesloten contract, hetzij op grond van bepaalde feitelijke omstandigheden aannemelijk is, dat de overeenkomst zonder het nietige beding niet gesloten zou zijn; (…)” [44] .
Buena Vista [45] heeft de Hoge Raad, in plaats van de formulering van het arrest
Van der Molen/Erven De Lange Klaasz, nagenoeg letterlijk de formulering van het (latere) art. 3:41 BW Pro gehanteerd:
“Wel is een overeenkomst voor zover die verplicht tot een bij de wet verboden prestatie nietig, maar het hof heeft miskend dat wanneer, zoals hier, de grond van nietigheid slechts een deel van de overeenkomst betreft, deze voor het overige in stand blijft voor zover dit, gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.”
b. Het restant staat niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel.Hierbij dient te worden gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling. De te beantwoorden vraag kan aldus worden geformuleerd: geeft het restant nog een voor beide partijen zinvolle regeling te zien, waarmee de door partijen nagestreefde doeleinden nog gedeeltelijk worden gerealiseerd?
Gelet op inhoud en strekking.Bij de inhoud valt het accent op hetgeen partijen hebben verklaard, bij de strekking op de met de rechtshandeling nagestreefde doeleinden. (…)”
“zinvolle regeling”zou moeten worden aanvaard, kan aan zodanige regeling (en daarmee aan de afwezigheid van een onverbrekelijk verband), mijns inziens niet zonder meer in de weg staan dat daarmee de oorspronkelijke doeleinden van partijen niet meer volledig kunnen worden gerealiseerd. Zou volledige realisatie van die doeleinden zijn vereist, dan zou dat voor partiële nietigheid maar weinig ruimte laten. Aan partiële nietigheid is immers eigen dat een deel van de overeenkomst (waarmee partijen veelal afzonderlijke doeleinden nastreefden) nu eenmaal wegvalt. Overigens laat zich óók bij toepassing van het criterium van de aannemelijkheid van een overeenkomst zonder het nietige deel zeer wel denken dat aan dit criterium is voldaan, ofschoon partijen hun oorspronkelijke doelstellingen met de overgebleven regeling niet volledig kunnen realiseren. In zoverre acht ik de klacht ongegrond.
inhoudvan de rechtshandeling pleit Hijma voor een “alternatieve” benadering van de partiële nietigheid. Toetsing aan het begrip inhoud van de rechtshandeling brengt dan met zich, dat na afsplitsing van het nietige gedeelte het contractuele evenwicht tussen partijen niet mag zijn verstoord; de prestaties dienen in gelijke mate te worden verminderd. Bij wederkerige overeenkomsten leidt dit, indien de tegenprestatie splitsbaar is, tot een volgens Hijma geoorloofde waardering van de prestaties, waarbij hij een parallel trekt met de partiële ontbinding; zie art. 6:265 jo Pro. 270 BW (een gedeeltelijke ontbinding houdt een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid). In geval van een niet-splitsbare wederprestatie pleit Hijma ervoor om niet zonder meer tot nietigheid van het geheel te besluiten, maar het restant van de overeenkomst vernietigbaar te laten zijn, waarbij art. 3:54 BW Pro (wijziging van de rechtshandeling in plaats van vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden), welk artikel hij op iedere vernietigbaarheid van toepassing acht, de mogelijkheid moet bieden om aan vernietiging te ontkomen en het geldige gedeelte in een aangepaste vorm te gieten [48] . Als de opvattingen van Hijma volledig moeten worden aanvaard, geldt dat het hof mede in zijn onderzoek de wederprestatie van BP voor de exclusieve afname door [verweersters] had moeten betrekken, opdat die wederprestatie op de geschetste wijze voor een proportioneel gelijkwaardig stuk in de nietigheid zou worden “meebetrokken” [49] . In dat geval en in zoverre zou de klacht dan slagen.
“boemerangeffect”van algehele nietigheid afbreuk zou doen aan bestrijding van ongeoorloofde concurrentiebeperkende overeenkomsten, waarmee de nietigheidssanctie
“in haar tegendeel (zou) verkeren”.
nietdoor het Unierecht worden beheerst [50] . Dat betekent dat voor de beantwoording van de vraag of zich in het gegeven geval een algehele dan wel een partiële nietigheid voordoet, slechts het naar nationaal recht geldende criterium van het al dan niet bestaan van een onverbrekelijk verband tussen het nietige deel en de rest van de overeenkomst bepalend is. Het overwegend belang van een van beide partijen bij het voortbestaan van de rest van de overeenkomst kan niet aan algehele nietigheid in de weg staan, als de rest van de overeenkomst in de zin van art. 3:41 BW Pro onverbrekelijk met het nietige deel daarvan is verbonden.
“boemerangeffect”zou zich overigens niet slechts voordoen omdat [verweersters] niet voor die laatste weg hebben gekozen en zich in plaats daarvan (na ommekomst van de termijn waarbinnen aanpassing mogelijk was) op nietigheid van het beding hebben beroepen, maar ook omdat volgens het hof conversie (waarop [verweersters], zij het subsidiair, in hun vordering hadden geanticipeerd) niet mogelijk was. Als conversie wél mogelijk was, zouden [verweersters] (of beter: zou [verweerster 1], nu alleen zij en niet ook [verweerster 2] partij was bij de beide exploitatieovereenkomsten), door zich met succes op de mededingingsrechtelijke ontoelaatbaarheid van het litigieuze beding te beroepen, hun (haar) contractuele rechten uit de beide exploitatieovereenkomsten niet op het spel hebben gezet.
f1.560.000,- en
f1.040.000,- voor huur van 1 januari 1993 tot 1 januari 2013 volledig heeft vooruitbetaald en aan indexatie onderhevige bedragen van
f45.000,- en
f30.000,- jaarlijks aan de heer A.S. [verweerster 2] heeft betaald, (iii) zij in de begintijd van de exploitatie van de stations financieel heeft bijgesprongen en (iv) zij exploitatierechten voor twee tankstations in Amsterdam aan [verweerster 2] heeft verstrekt. Volgens het onderdeel is het exclusieve afnamebeding voor BP een essentieel onderdeel en zelfs de kern van de exploitatieovereenkomsten. Voorts moet volgens het onderdeel worden bedacht dat [verweerster 2] als verhuurder van de grond nog voor de resterende duur van de ter zake daarvan gesloten huurovereenkomst aanspraak behoudt op huurpenningen, en overige tussen partijen overeengekomen regelingen. Het onderdeel betoogt dat daarom van een boemerangeffect ten nadele van [verweerster 2] geen sprake is,
“nu immers instandhouding van de beslissing van het hof als gevolg heeft dat [verweerster 2] zowel de volledige huurovereenkomsten voor de percelen grond incasseert, alsmede [verweerster 2] (via [verweerster 1]) een opbrengst genereert als zou deze huurrelatie met [verweerster 2] niet bestaan.”
zonderdat zeker zou zijn dat de afzet van die stations (althans grotendeels) de door haar zelf geleverde motorbrandstoffen zou betreffen. Dat geldt temeer nu het hof in rov. 2.15 heeft vastgesteld dat
“(…) (e)xclusieve afnameverplichtingen als hier aan de orde (…) maken, zoals [verweersters] onweersproken heeft gesteld, een onlosmakelijk deel uit van het distributiestelsel dat BP Nederland in het algemeen in Nederland hanteert.”
“boemerangeffect”zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn in verband met de (door een algehele nietigheid van de exploitatieovereenkomsten niet geraakte) aanspraken van [verweersters] uit hoofde van de verhuur van de betrokken percelen, stuit de klacht reeds hierop af dat het hof met dat
“boemerangeffect”niet heeft bedoeld dat [verweersters] in geval van algehele nietigheid van beide exploitatieovereenkomsten geheel met lege handen zouden staan, maar dat [verweersters]
“al haar contractuele rechten uit de beide exploitatieovereenkomsten zou(den) verliezen”.
“onverbrekelijk verband”in de zin van art. 3:41 BW Pro uitsluitende)
“zinvolle regeling”zonder nader motivering, die ontbreekt, inderdaad onvoldoende begrijpelijk is. Eveneens kwam hiervóór (onder 2.39) reeds aan de orde dat niet naar behoren is gemotiveerd waarom van het “opleggen” van het litigieuze beding sprake is geweest, met welke terminologie het hof kennelijk heeft gerefereerd aan een zwakkere en - ook bij de vaststelling van de rechtsgevolgen van de nietigheid van dat beding - bescherming verdienende positie van [verweersters]. Voor zover het onderdeel een verband tracht te leggen tussen rov. 2.32 en rov. 2.38, kan ik het ten slotte niet volgen. Dat de (naar het oordeel van het hof in rov. 2.38) als gevolg van het nietige exclusieve afnamebeding door [verweerster 1] geleden schade vooral heeft bestaan uit het verschil tussen de door haar betaalde brandstofprijs en de prijs die zij van andere brandstofleveranciers had kunnen bedingen (c.q. het verschil tussen de door haar aan eindgebruikers berekende prijs en de lagere prijs die zij, als zij concurrerend had kunnen onderhandelen met andere leveranciers, jegens eindgebruikers had kunnen inzetten), laat op zichzelf geen conclusies toe over het belang dat BP aan de exclusieve afnameverplichting van [verweersters] hechtte.
“de gebondenheid aan het exclusieve afnamebeding”geen wanprestatie of onrechtmatige daad is die kan verplichten tot schadevergoeding. Voor zover ’s hofs oordeel valt te begrijpen in die zin dat, zoals het hof in rov. 2.38 heeft overwogen, BP toerekenbaar is tekortgekomen (kennelijk: in de nakoming van de exploitatieovereenkomst) heeft het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de grondslag van de schadevergoedingsvordering van [verweersters] (bedoeld zal zijn [verweerster 1] [52] ) aangevuld, aangezien deze zich uitsluitend op een onrechtmatige daad van BP hebben beroepen.
“de aard van de aansprakelijkheid (een toerekenbare tekortkoming door vast te houden aan een exclusieve afnameverplichting die wegens strijd met het mededingingsrecht nietig is)”.
Courage [54] een dergelijke aanspraak niet principieel uitgesloten, maar haar beoordeling zal wel een nader onderzoek naar de verhouding tussen beide partijen vergen. Zo moet, volgens het Hof van Justitie, de bevoegde nationale rechter in het bijzonder nagaan, of de partij die schade beweert te hebben geleden door het sluiten van een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen, zich ten opzichte van de wederpartij in een duidelijk zwakkere positie bevond, zodat haar vrijheid om over de clausules van bedoelde overeenkomst te onderhandelen alsmede haar vermogen om de schade te voorkomen of de omvang daarvan te beperken, met name door tijdig alle beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden, uiterst beperkt zo niet nihil zouden zijn geweest [55] .
nietkon worden gevergd dat zij dat beding zouden negeren voordat de nietigheid daarvan door de rechter was bevestigd en zich aldus zouden blootstellen aan het geenszins denkbeeldige risico dat zij jegens BP toerekenbaar in de nakoming van hun contractuele verplichtingen zouden tekortschieten en deswege aansprakelijk zouden zijn. Door vast te houden aan het litigieuze beding komt het in de kennelijke gedachtegang van het hof voor rekening van BP dat [verweersters] zich daarnaar zijn blijven gedragen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
waaromnaar zijn oordeel een voorschot was aangewezen. In elk geval dwongen de stellingen van BP, dat naast de brandstofprijzen ook de andere onderhandelingspunten bij de bepaling van de schade van [verweersters] moeten worden betrokken, het hof niet tot nadere motivering, nu, naar het hof uitdrukkelijk mede in aanmerking heeft genomen, BP niet in cijfers heeft uitgedrukt welk relatief gewicht aan die andere onderhandelingsresultaten toekomt. Tot nadere motivering dwong evenmin dat het volgens BP (in de woorden van rov. 2.38)
“nog maar de vraag is of [verweersters] met prijsverlagingen aan de pomp een zo grote volumevergroting zou hebben verkregen dat zij desondanks meer winst zou hebben gemaakt.”Bij de gegeven stand van zaken heeft het hof de bedoelde onzekerheden mijns inziens voldoende verdisconteerd door het voorschot te stellen op één derde van de gestelde schade.
binnenhet totaal aan voordelen en dat zulks blijkt uit de cijfertabel die is overlegd als productie 8, wordt als zodanig niet in de antwoordakte na tussenarrest betrokken.
kansop meer winst door volumevergroting heeft ontnomen (concurrentieschade), door aan een wegens strijd met het mededingingsrecht nietig afnamebeding vast te houden (aard van de aansprakelijkheid). Het is kennelijk tegen deze achtergrond dat het hof (zonder van een onjuiste rechtsopvatting blijk te geven en niet onbegrijpelijk) zijn (op een schatting berustende) vaststelling van een voorschot op de schadevergoeding op één derde van de gestelde schade gerechtvaardigd heeft geacht.