ECLI:NL:HR:2011:BQ2809
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- Rechtspraak.nl
Uitleg exclusief afnamebeding en toepassing groepsvrijstelling in motorbrandstofcontracten
De zaak betreft de uitleg van art. 5 onder Pro a van Verordening (EG) nr. 2790/1999 (de Groepsvrijstelling) over verticale overeenkomsten, in het bijzonder de vraag of een exclusief afnamebeding voor motorbrandstoffen valt onder de vrijstelling als het langer dan vijf jaar duurt.
BP, als rechtsopvolger van Mobil Oil, had met [verweerster 1] exploitatieovereenkomsten gesloten met een exclusief afnamebeding gekoppeld aan huurovereenkomsten van grond en tankstations. De grond is eigendom van de Provincie Utrecht en wordt gehuurd door [verweerster 2], een dochter van [verweerster 1]. BP is niet juridisch eigenaar of huurder van de grond of lokalen.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'eigendom' in art. 5 onder Pro a geen communautair begrip is en dat economische eigendom onder Nederlands recht geen eigendom is. De uitzonderingen van art. 5 onder Pro a zijn restrictief uitgelegd, en BP kan niet profiteren van de vrijstelling omdat zij niet eigenaar of huurder is van de grond of lokalen. Het exclusieve afnamebeding valt daarom niet onder de vrijstelling en kan onder art. 6 Mw Pro verboden zijn. BP's beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het exclusieve afnamebeding valt niet onder de groepsvrijstelling en BP's beroep wordt verworpen.