Conclusie
middelis gericht tegen het oordeel dat [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten (de hiervoor onder 3 aangehaalde overweging ter zake) en het daarop voortbouwende deel van het dictum. Het valt uiteen in drie onderdelen.
Onderdeel 2.1klaagt
primairover onbegrijpelijkheid althans onvoldoende motivering van het oordeel van de kantonrechter, inhoudende dat enerzijds de (enig overgebleven) vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt
afgewezen en anderzijds
[eiser]in de proceskosten wordt veroordeeld. Daartoe wordt aangevoerd dat Het Vennenbos, na de betaling op 21 oktober 2011 van het bedrag ad € 984,60, op de eerstdienende dag van 26 oktober 2011 haar eis verminderd heeft met dit bedrag, zodat de zaak op de eerstdienende dag uitsluitend nog is voortgezet voor de ‘resterende’ vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 178,50. Althans, zo wordt aangevoerd, betekent de afwijzing dat [eiser] wat betreft de hoofdsom slechts € 740,27 vermeerderd met € 38,68 aan vervallen rente had moeten betalen waar hij voor de eerstdienende dag € 984,60 heeft voldaan.
Subsidiairwordt geklaagd dat de kantonrechter, gelet op art. 237 Rv Pro, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom desalniettemin een proceskostenveroordeling op haar plaats is ten laste van [eiser].
onderdeel 2.2is het bij gemis van een nadere motivering onbegrijpelijk dat de kantonrechter het voor haar beslissing dat [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten van belang heeft geacht dat er vóór het
aanbrengenvan de zaak betaald had moeten zijn. Daartoe voert het middelonderdeel aan dat het een feit van algemene bekendheid en een ervaringsfeit is dat een aangebrachte dagvaarding zonder griffierecht verschuldigd te zijn vóór de
eerstdienende dagkan worden ingetrokken.
aanbrengenen dat de daardoor veroorzaakte (proces)kosten voor rekening van Het Vennenbos moeten blijven, en anderzijds de stelling van Het Vennenbos dat [eiser] niet alle buitengerechtelijke kosten heeft voldaan en dat zij niet verplicht kan worden om een voorstel te accepteren dat niet
volledigovereenkomt met haar vordering. Het oordeel van de kantonrechter komt er op neer dat zij de stelling van [eiser] verwerpt en die van Het Vennenbos honoreert: Het Vennenbos mocht de zaak op 19 oktober 2011 aanbrengen omdat het door haar
gevorderdebedrag op dat moment niet was voldaan en een schikkingsvoorstel niet met een dergelijke betaling valt gelijk te stellen. Ten overvloede wordt overwogen dat Het Vennenbos de zaak mogelijk niet had mogen aanbrengen indien het schikkingsbedrag reeds was ontvangen, maar dat dit laatste niet het geval was geweest.
Onderdeel 2.3klaagt dat de veroordeling van [eiser] in de proceskosten onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden (i) dat de aanhef van de inleidende dagvaarding vermeldt dat “
de rechtszaak kan worden voorkomen” door betaling van in totaal € 1.162,44, (ii) dat daarvan € 984,60 door [eiser] is betaald vóór de eerste zittingsdag, (iii) dat het verschil derhalve € 177,84 bedraagt, (iv) dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 178,50 zijn afgewezen en (v) dat hij in feite meer salaris gemachtigde heeft betaald dan waarop Het Vennenbos in de dagvaarding aanspraak maakt.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.