Conclusie
eerste middelwordt geklaagd over de bewijsmotivering.
tweede middelvalt uiteen in twee klachten. De eerste klacht luidt - zo valt uit de toelichting op te maken - dat het Hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend ten aanzien van de beslissing over het “vijfde deposito”. De tweede klacht richt zich tegen de beslissing tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 166.219,90.
(…)
Beslagen
Beslagen waarop niet is beslist en waarover het hof een beslissing dient te nemen:
(…)
Een banktegoed van € 166.219,90 is uit het zicht verdwenen en staat niet op de beslaglijst;
Deposito met nummer [002], met een waarde van € 25.000,-.
Voor het banktegoed en de deposito geldt dat deze niet door de bewezenverklaring van feit 2 worden bestreken.
(…)
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
(…)
Beslagen
(…)
Omtrent de € 166.219,90 zal het hof eveneens een beslissing nemen, hoewel dit bedrag niet op de beslaglijst voorkomt. In het dossier met nummer 29908 onder bijlage AH-19 wordt vermeld dat € 166.219,90 in beslag is genomen (rekeningnummer [001], zijnde een rekening op naam van verdachte). Het hof zal daarover op de voet van het bepaalde in artikel 353 Wetboek Pro van Strafvordering een beslissing nemen.
Omtrent de deposito's overweegt het hof dat in bewijsmiddel 14 vier deposito's staan genoemd terwijl (…) dit vijf deposito's dienen te zijn.
(…)
Oplegging van straf
(…)
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde zijn verkregen.
(…)
Beslissing
Het hof:
(…)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de nummers (…) 4 (het hof begrijpt de vijf deposito's genoemd in AH39), (…) alsmede het geldbedrag van € 166.219,90.”
vierde middel. Ook dit middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht gaat over het oordeel van het Hof dat onvoldoende zou hebben gemotiveerd dat en hoe het rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte. De tweede klacht houdt in dat het Hof ook nieuwe beslissingen heeft genomen ten aanzien van voorwerpen waarop in ‘s Hofs eerdere arrest reeds onherroepelijk zou zijn beslist (tot teruggave).
De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekening het onderstaande - samengevat - ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht.
(…)
Draagkracht
Indien rekening wordt gehouden met de draagkracht, dan wordt verdachte door de verbeurdverklaring onevenrediger in zijn vermogen getroffen dan met het oog op een passende bestraffing noodzakelijk is.
Verzocht wordt niet alle in beslag genomen gelden verbeurd te verklaren doch een last tot teruggave aan verdachte te geven of de op te leggen gevangenisstraf te matigen.
(…)
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
(…)
De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde zijn verkregen. Het hof acht de verbeurdverklaring passend en geboden en is van oordeel dat verdachte daardoor niet onevenredig in zijn vermogen wordt getroffen. Voor zover het verweer beoogt het hof ertoe te brengen van het verbeurdverklaren van de beslagen bedragen af te zien zodat de verdachte deze bedragen kan aanwenden om een eventuele boete te betalen, kan het hof deze gedachtegang niet volgen. Wel houdt het hof bij zijn beslissing rekening met de draagkracht van verdachte.”
derde middelklaagt dat het Hof juist een te beperkte invulling heeft gegeven aan de verwijzingsopdracht door een verweer met betrekking tot feit 3 onbesproken te laten.
2.5. Voormelde beslissing van de Hoge Raad houdt in dat het Hof de zaak - voor zover krachtens de terugwijzing aan zijn oordeel onderworpen - opnieuw diende te berechten. Dit brengt mee dat het Hof alle voor de strafoplegging van belang zijnde omstandigheden in zijn oordeel diende te betrekken, waaronder begrepen die welke ten grondslag zijn gelegd aan het op art. 359a Sv steunende beroep op strafvermindering. Het eerste middel klaagt terecht dat het Hof dit heeft verzuimd.”
allevoor de strafoplegging van belang zijnde omstandigheden. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat de feiten en omstandigheden waaronder het onherroepelijk bewezenverklaarde feit 3 is begaan, door de verdediging in het kader van de strafmaat naar voren mogen worden gebracht en door de rechter dienen te worden gewogen. Het Hof heeft dus ten onrechte geoordeeld dat dit deel van het strafmaatverweer buiten bespreking kan worden gelaten.
bij de Hoge Raad der Nederlanden