Conclusie
[verdachte]
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die wegens privé-omstandigheden nagelaten heeft opgave te doen van het aantal gehouden pluimvee in referentie-jaren 1995-1997, waardoor hij geen pluimveerechten kreeg toegekend. Het hof Arnhem veroordeelde hem voor opzettelijke overtreding van artikel 20 van Pro de Meststoffenwet.
De verdachte stelde in cassatie dat de Meststoffenwet jegens hem buiten toepassing moest worden gelaten wegens schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat er geen 'fair balance' zou zijn tussen het algemene belang en zijn individuele rechten. De Hoge Raad oordeelde dat de inbreuk niet voortkomt uit de wet zelf, maar uit het feit dat verdachte jarenlang zijn post niet las en meldingsplichten niet nakwam.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij werd benadrukt dat de overheid de regelgeving met strafrecht mag handhaven en dat de gevolgen voor verdachte niet disproportioneel of buitensporig zijn. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de veroordeling.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens opzettelijke overtreding Meststoffenwet; geen schending artikel 1 Eerste Protocol EVRM.