ECLI:NL:PHR:2013:923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake opsporingsactiviteiten na onttrekking minderjarigen aan toezicht Bureau Jeugdzorg
De zaak betreft een kort geding waarin ouders vorderen dat het Openbaar Ministerie (OM) alle opsporingsactiviteiten en arrestatiebevelen beëindigt die zijn uitgevaardigd vanwege het onttrekken van hun minderjarige kinderen aan het toezicht van Bureau Jeugdzorg. De kinderen waren onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, waarna zij met toestemming van Duitse autoriteiten in een tehuis in Duitsland verbleven. De ouders emigreerden met de kinderen naar Duitsland en namen hen later mee naar Nederland, waarna zij hen weer naar Duitsland brachten, ondanks rechterlijke beslissingen die het toezicht bevestigden.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de ouders af, stellende dat het OM een ruime beleidsvrijheid heeft bij het instellen van strafrechtelijk onderzoek en dat het onttrekken van de kinderen aan het toezicht een gegronde reden was voor opsporingsmaatregelen. De ouders stelden dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid had, maar dit werd door het hof verworpen omdat de kinderen bij het begin van de procedure hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat het middel niet voldoet aan de eisen van precisie en duidelijkheid en de aangevoerde klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens werd bevestigd dat de vraag naar internationale bevoegdheid niet in dit geding aan de orde is, maar in de kinderbeschermingsprocedure thuishoort. Het cassatieberoep werd daarom op grond van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt niet-ontvankelijk verklaard en de opsporingsactiviteiten van het OM blijven gehandhaafd.