Conclusie
Inleiding
De cassatiemiddelen
f 179.517,74 respectievelijk f 340.265,96, tezamen f 519.783,70 (€ 235.867,55), welk bedrag ING in haar inleidende dagvaarding als hoofdsom vorderde (zie rov. 4.12 van het eerste tussenarrest). Op verzoek van het hof heeft ING de vermindering van haar vordering ter gelegenheid van de comparitie van partijen verduidelijkt (zie de eerdergenoemde brief van 31 januari 2007). Daarop heeft het hof in rov. 2.8 van zijn tussenarrest van 2 oktober 2007 overwogen dat ING thans allereerst duidelijk heeft gemaakt op welke wijze en waarom zij haar vordering tijdens het pleidooi in eerste aanleg heeft verminderd. De vermindering vond haar verklaring in de omstandigheid dat ING haar vordering toen heeft beperkt tot het bedrag van de limiet van de verstrekte kredieten. Daarbij is het hof klaarblijkelijk uitgegaan van de door ING in de brief van 31 januari 2007 genoemde bedragen, waar het een totaal bedrag van f 307.000 noemde, waarop in mindering strekt de opbrengst van de uitgewonnen zekerheden. Omdat ING ten onrechte niet de gehele veilingopbrengst in mindering heeft doen strekken op haar (verminderde) vordering, diende ING een nieuwe specificatie over te leggen (zie rov. 2.11 van het tussenarrest van 2 oktober 2007). Het hof overwoog dat [eiser] c.s. daarop zullen kunnen reageren. ING heeft haar vordering vervolgens met f 20.665,37 verlaagd tot f 265.077,59 (€ 120.286,96).
Conclusie
- niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep tegen de tussenarresten van het hof van 19 december 2006 en van 15 maart 2011;
- tot vernietiging van het eindarrest van het hof van 5 juni 2012 en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing, en
- tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.