ECLI:NL:PHR:2013:995

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2013
Publicatiedatum
21 oktober 2013
Zaaknummer
13/03627
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROartikel 292 Fwartikel 285 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw

De rechtbank Midden-Nederland wees het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af omdat verzoekers niet voldoende hadden aangetoond dat zij te goeder trouw waren met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van fiscale schulden ter hoogte van €242.209,82. Dit vonnis werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd, dat tevens oordeelde dat verzoekers onvoldoende inzicht hadden gegeven in de ontstaansdata van hun schulden en niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren ten aanzien van een schuld aan SNS Bank van €366.659,74.

Verzoekers stelden in hun cassatieberoep dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door ook te oordelen over de ontstaansdata van andere schulden en hun goede trouw ten aanzien van de bancaire schuld. De Hoge Raad verwierp deze klacht en bevestigde dat het hof in schuldsaneringszaken een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Daarnaast werden klachten over vermeende feitelijke onjuistheden in het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep niet gegrond verklaard.

De Hoge Raad concludeerde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en besloot tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO, waarmee het cassatieberoep werd afgewezen. De uitspraak benadrukt de aard en het doel van de schuldsaneringsprocedure en bevestigt de beoordelingsvrijheid van het hof bij het toetsen van goede trouw en bewijsrecht in dergelijke zaken.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van goede trouw.

Conclusie

13/03627
Mr. L. Timmerman
Zitting 11 oktober 2013
Conclusie inzake:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoekster 2],
verzoeksters tot cassatie,
(hierna: [verzoeker] c.s.)
1. De rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) heeft bij vonnis van 8 mei 2013 het door [verzoeker] c.s. op 20 maart 2013 ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [verzoeker] c.s. onvoldoende hadden aangetoond dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van fiscale schulden ten bedrage van € 242.209,82. Dit vonnis werd bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) in zijn arrest van 15 juli 2013. Daarin overwoog het hof kort gezegd dat [verzoeker] c.s. geen inzicht hebben verschaft in de ontstaansdata van hun schulden (rov. 3.5), geen (volledig) inzicht hebben gegeven in hun fiscale schuld om het hof in staat te stellen hun goede trouw te beoordelen (rov. 3.6) en voorts niet, althans onvoldoende, aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schuld aan SNS Bank van € 366.659,74 (rov. 3.7).
2 In het door [verzoeker] c.s. op 23 juli 2013 – derhalve tijdig – ingediende cassatieverzoekschrift wordt in
middel 1betoogd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, althans het grievenstelsel heeft miskend, door niet slechts een oordeel te geven over de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de fiscale schulden, maar zich ook te buigen over de ontstaansdata van andere schulden en de vraag of zij te goeder trouw waren ten aanzien van de schuld aan SNS Bank. In schuldsaneringszaken heeft het hof deze vrijheid [1] . De inhoudelijke, hiervóór samengevatte, oordelen van het hof houden stand in weerwil van de klachten die het middel daartegen aanvoert [2] . Hetzelfde geldt voor van
middel 2, dat het bestaan van een fiscale schuld betwist, aangezien het oordeel van het hof op dat punt in hoge mate feitelijk en overigens niet onbegrijpelijk is [3] . Bij aanvullend verzoekschrift van 27 augustus 2013 zijn nog een reeks klachten aangevoerd tegen vermeende feitelijke onjuistheden in het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 8 juli 2013. Ook dit is geen grond voor cassatie.
3 De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.GS Faillissementswet (H.H. Lammers), artikel 292 Fw Pro, aant. 11.1; Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9076a. Dezelfde vrijheid geldt ten aanzien van regels van bewijsrecht in schuldsaneringsprocedures (zie par. 11 van de conclusie van AG Huydecoper vóór HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7408) en bij de beoordeling van vergelijkbare open normen in faillissementsprocedures (o.m. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3705, rov. 3.5). Zulks strookt bovendien met de aard en het doel van de schuldsaneringsprocedure. Gesteld noch gebleken is dat zich een uitzonderingsgeval voordoet zoals aan de orde was in HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857.
2.Zie onder meer de conclusies vóór HR 18 juni 2010, ECLI:HR:2010:BM1844 (81 RO) en HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0640, alsmede GS Faillissementswet (H.H. Lammers), artikel 285 Fw Pro, aant. 16.
3.Het hof zet in rov. 3.6 uiteen waarom [verzoeker] c.s. nog steeds schadeplichtig zijn ten aanzien van de fiscale schuld en op welke bij het faxbericht van 3 juli 2013 gevoegde stukken dat oordeel is gebaseerd. Dat [verzoeker] c.s. aan deze stukken een andere uitleg en gevolgtrekking verbinden, maakt die motivering nog niet onbegrijpelijk.