ECLI:NL:PHR:2013:BX4036
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering van een zelfbewoond pand bij inbreng in ondernemingsvermogen voor de inkomstenbelasting
Belanghebbende bracht een reeds door hem bewoond pand in zijn eenmanszaak in en waardeerde dit op de openingsbalans tegen de vrije verkoopwaarde. De Inspecteur corrigeerde dit naar de waarde in bewoonde staat, omdat het pand deels voor zelfbewoning werd gebruikt.
De Rechtbank en het Hof oordeelden aanvankelijk dat de inbrengwaarde gelijk kon zijn aan de vrije verkoopwaarde, omdat de winst jaarlijks wordt verhoogd met de huurwaarde van de woonruimte volgens artikel 3.19 Wet IB 2001, waardoor geen nadere correctie nodig is.
De Staatssecretaris stelde cassatie in met het standpunt dat bij de waardering van het pand op de openingsbalans rekening moet worden gehouden met de waardedruk van de zelfbewoning, zoals ook bij overgang naar privé-vermogen gebeurt.
De Hoge Raad oordeelde dat de waarde in het economische verkeer bij inbreng in het ondernemingsvermogen moet worden vastgesteld met inachtneming van de bewoonde staat, omdat anders voordelen en nadelen niet correct in de totaalwinst worden verwerkt. Dit leidt tot verwijzing voor verdere behandeling van de standpunten over de minnelijke taxatie en waardering.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van waarderingsregels bij inbreng van zelfbewoonde panden in ondernemingsvermogen en benadrukt het belang van consistente waardering met inachtneming van waardedruk door zelfbewoning.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een zelfbewoond pand bij inbreng in eenmanszaak moet worden gewaardeerd naar de waarde in bewoonde staat en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.