ECLI:NL:PHR:2013:BX9831
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vestiging verzorgingsvruchtgebruik op aandeel in netto verkoopopbrengst woning nalatenschap
De echtgenote verzocht op grond van art. 4:30 lid 6 BW Pro om een verzorgingsvruchtgebruik te vestigen op de netto verkoopopbrengst van het woonhuis uit de nalatenschap van haar in 2008 overleden echtgenoot, voor zover deze opbrengst toekomt aan de twee kinderen van de erflater, zoon en dochter. De dochter stemde in met het verzoek, de zoon wenste zijn aandeel uitgekeerd te krijgen. Het hof wees het verzoek af omdat de echtgenote onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij voor haar verzorging behoefte had aan het aandeel van de zoon.
Het hof berekende de verzorgingsbehoefte van de echtgenote en stelde vast dat zij een tekort had dat zij kon aanvullen door in te teren op haar eigen vermogen. Daarbij hield het hof rekening met het vruchtgebruik op het aandeel van de dochter, dat de echtgenote zou kunnen genereren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld en dat het verzoek terecht was afgewezen. Klachten over de uitleg van het verzoek en de instemming van de dochter faalden, evenals bezwaren tegen de berekening van de verzorgingsbehoefte en de beoordeling van het inkomen en vermogen van de echtgenote.
De Hoge Raad bevestigde dat het verzorgingsvruchtgebruik slechts een vangnet is en dat de echtgenote geen aanspraak kan maken op voortzetting van het oude leefpatroon. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot vestiging van verzorgingsvruchtgebruik op het aandeel van de zoon in de netto verkoopopbrengst van de woning werd afgewezen.