ECLI:NL:HR:2013:BX9831
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vestiging van vruchtgebruik op opbrengst woonhuis in erfrechtelijke nalatenschap
De zaak betreft een verzoek van de echtgenote om op grond van artikel 4:30 lid 6 BW Pro een vruchtgebruik te vestigen op de netto-opbrengst van het verkochte woonhuis uit de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. Het testament van de erflater bepaalde dat de nalatenschap gelijkelijk verdeeld zou worden tussen de echtgenote en de twee kinderen uit een eerder huwelijk, waarbij de echtgenote verplicht was bij verkoop van het woonhuis een deel van de opbrengst aan de kinderen uit te keren.
Na het overlijden van de erflater werd het woonhuis verkocht en de netto-opbrengst vastgesteld. De echtgenote verzocht de kantonrechter om een verzorgingsvruchtgebruik te vestigen op het aandeel van de kinderen in deze opbrengst. De dochter stemde in met het verzoek, de zoon niet. De kantonrechter en het hof wezen het verzoek uiteindelijk af omdat de echtgenote onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij behoeftig was en behoefte had aan het aandeel van de zoon.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verzoek niet onjuist had uitgelegd en dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden. De klachten van de echtgenote faalden en het beroep werd verworpen. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2013.
Uitkomst: Het beroep van de echtgenote wordt verworpen en het verzoek tot vestiging van vruchtgebruik op het aandeel van de zoon in de netto-opbrengst van het woonhuis wordt afgewezen.