ECLI:NL:PHR:2013:BY2639
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag lid Raad van Toezicht wegens financieel wanbeheer bij stichtingen
De zaak betreft het ontslag van [verzoeker] als lid van de Raad van Toezicht van drie stichtingen wegens financieel wanbeheer. De rechtbank had geoordeeld dat het handelen van [verzoeker] als bestuurder en lid van de Raad van Toezicht financieel wanbeheer opleverde in de zin van art. 2:298 BW Pro. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat een lid van de Raad van Toezicht gelijkgesteld kon worden met een bestuurder voor toepassing van art. 2:298 BW Pro.
In hoger beroep en cassatie werden diverse procedurele klachten aangevoerd, waaronder schending van het fair trial-beginsel en oneerlijke behandeling van processtukken. Deze klachten werden door de Hoge Raad afgewezen omdat het hof de procesregels correct had toegepast en geen sprake was van schending van art. 6 EVRM Pro.
Inhoudelijk betwistte [verzoeker] dat er sprake was van benadeling van de stichtingen en voerde hij aan dat bestuursbesluiten en vaststellingsovereenkomsten onherroepelijk waren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze verweren terecht had verworpen en dat het oordeel over wanbeheer niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad bevestigde dat het ontslag ook kon worden toegepast op een lid van de Raad van Toezicht dat feitelijk bestuurstaken vervulde. De klachten over bewijsuitsluiting en vermeende onwettigheid van het verzoek tot ontslag werden eveneens afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen en de beslissing tot ontslag bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag van [verzoeker] als lid van de Raad van Toezicht wordt bekrachtigd wegens financieel wanbeheer.