ECLI:NL:PHR:2013:BY4114

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/04373
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 17 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 27 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding optietermijn bij vaststelling Nederlandse nationaliteit

Verzoekster heeft bij de rechtbank 's-Gravenhage verzocht om vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. De rechtbank wees dit verzoek af omdat verzoekster de optietermijn zoals bedoeld in artikel 27 lid 2 RWN Pro (oud) had overschreden.

Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. De klachten berustten deels op een onjuiste interpretatie van de rechtbankbeschikking, zoals het vermeende vereiste dat de optant woonachtig moet zijn in het land waar wordt geopteerd en dat een geboorteakte noodzakelijk is.

De Hoge Raad bevestigde dat de Rijkswet op het Nederlanderschap limitatief de wijzen opsomt waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen en dat overschrijding van de optietermijn niet kan worden gecompenseerd door een toekenning door ambtenaren van de burgerlijke stand. Ook het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan niet leiden tot verkrijging van de nationaliteit.

Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de optietermijn voor verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.

Conclusie

Zaak 12/04373
Mr. P. Vlas
Zitting, 16 november 2012
Conclusie inzake:
[Verzoekster],
verzoekster
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
(hierna: de Staat)
1. Bij beschikking van 7 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van verzoekster tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (hierna: RWN) afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.(1) Daartoe geldt het volgende. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen omdat de optie op grond van art. 27 lid 2 RWN Pro (oud) te laat is afgelegd. Voor zover de klachten al voldoen aan de eisen die aan een middel moeten worden gesteld, berusten diverse klachten op een onjuiste lezing van de beschikking van de rechtbank. De rechtbank heeft, anders dan het middel betoogt, niet geoordeeld dat voor de vaststelling van het Nederlanderschap vereist is dat de optant woonachtig is in het land waar geopteerd wordt en dat voor de optie een geboorteakte is vereist. Evenmin heeft de rechtbank in rov. 5.4 geoordeeld dat aan de ambtenaar van de burgerlijke stand op Bonaire een verwijt kan worden gemaakt. Verder miskent het middel dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen limitatief zijn opgesomd in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daartoe behoort niet de mogelijkheid dat ambtenaren van de burgerlijke stand alsnog het Nederlanderschap kunnen toekennen in het geval van overschrijding van de optietermijn. Volgens vaste jurisprudentie kan de Nederlandse nationaliteit evenmin worden verkregen op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.(2)
3. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zijdens verzoekster is geen procesdossier overgelegd, zodat de beoordeling van de vraag of deze zaak voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking komt door mij heeft plaatsgevonden aan de hand van het griffiedossier.
2 HR 16 september 1994, LJN: ZC1450, NJ 1995/563, m.nt. GRdG.