ECLI:NL:PHR:2013:BY8343

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03160
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 182 SrArt. 310 SrArt. 311 SrArt. 312 Sr
Verwijzingen
16 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke kwalificatie schuldheling en strafmotivering wederspannigheid

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens wederspannigheid gepleegd met verenigde krachten en schuldheling. Het hof legde ook de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf van acht maanden op.

De verdediging stelde cassatieberoepen in tegen de strafmotivering en de vermelding van toepasselijke wetsartikelen. De Hoge Raad constateerde dat het hof ten onrechte sprak van opzetheling in plaats van schuldheling, maar dit was een kennelijke vergissing die geen cassatiegrond oplevert.

Verder werd geoordeeld dat het hof terecht heeft overwogen dat heling het plegen van vermogensdelicten bevordert en daarom op dezelfde wijze bestraft moet worden. De Hoge Raad oordeelde dat het niet noodzakelijk was om art. 180 Sr Pro te vermelden naast art. 182 Sr Pro in de strafoplegging, maar herstelde dit desgewenst ambtshalve.

De cassatieberoepen faalden en het arrest van het hof bleef in stand, waarbij de Hoge Raad de strafoplegging bevestigde en de terminologische correctie aanbracht.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de strafoplegging voor wederspannigheid en schuldheling.

Conclusie

Nr. 11/03160
Mr. Hofstee
Zitting: 20 november 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 30 juni 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "2: Wederspannigheid, door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd" en "3: Schuldheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel keert zich tegen 's Hofs strafmotivering, nu deze inhoudt dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling en heling dient te worden bestraft op eenzelfde wijze als vermogensdelicten, zulks terwijl verzoeker door het Hof is vrijgesproken van opzetheling en is veroordeeld wegens schuldheling en het zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is dat (schuld)heling op dezelfde wijze als vermogensdelicten bestraft dient te worden zodat het Hof bij de strafoplegging van een te hoog strafmaximum is uitgegaan.
4. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder meer overwogen:
"Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte en zijn mededader hebben zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan wederspannigheid in vereniging. Door zijn handelwijze heeft de verdachte op agressieve wijze getoond geen respect te hebben voor het bevoegd gezag. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Heling bevordert het plegen van vermogensdelicten en dient dan ook op een zelfde wijze als vermogensdelicten te worden bestraft.
Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 juni 2011 is de verdachte vele malen onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Nu het hof - anders dan de politierechter - heeft geoordeeld dat het bij de aanhouding van de verdachte toegepaste geweld niet disproportioneel is geweest, ziet het hof geen aanleiding aan de verdachte een lagere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd op te leggen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt."
5. De steller van het middel heeft een punt. Inderdaad heeft het Hof in de hierboven geciteerde strafmotivering ten onrechte overwogen dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan "opzetheling". Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, nu deze kennelijke misslag zich voor verbetering of verbeterde lezing leent. Immers, gezien het arrest blijkt uit de bewezenverklaring van feit 3, de hieraan verbonden kwalificatie, te weten schuldheling, en de vermelde toepasselijke wettelijke voorschriften - onder meer art. 417bis Sr (schuldheling) en niet art. 416 (opzetheling) - dat het Hof enkel het oog heeft gehad op de tenlastegelegde en bewezenverklaarde schuldheling. Het Hof heeft zich op dit punt kortom vergist.
6. Voor zover het middel de klacht bevat dat de overweging van het Hof dat heling op dezelfde wijze dient te worden bestraft als vermogensdelicten niet zonder meer begrijpelijk is, is het tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft terecht overwogen dat heling het plegen van vermogensdelicten bevordert en in stand laat. Overigens blijft de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden ruim binnen de op schuldheling gestelde maximumstraf van een jaar (art. 417bis, eerste lid, Sr) zodat in dat opzicht enig belang bij cassatie voor verzoeker ontbreekt.
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 358, vierde lid, Sv heeft nagelaten bij de toepasselijke wettelijke voorschriften mede art. 180 Sr Pro te vermelden. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat voor een veroordeling ter zake van 'wederspannigheid met verenigde krachten gepleegd' ook art. 180 Sr Pro, zijnde het gronddelict, had moeten worden aangehaald, nu het door het Hof vermelde art. 182 Sr Pro enkel de strafverhogende omstandigheid van het in verenigde krachten gepleegd hebben van de wederspannigheid bevat.
9. Ten laste van verzoeker is door het Hof onder 2 bewezen verklaard dat hij de wederspannigheid tegen twee opsporingsambtenaren van politie heeft gepleegd met een ander. Deze omstandigheid is blijkens art. 182 Sr Pro strafverhogend ten opzichte van (in de woorden van de steller van het middel) de 'eenvoudige' wederspannigheid als bedoeld in art. 180 Sr Pro, waarin tevens dit delict inhoudelijk is omschreven.
10. Ingeval van veroordeling behoeven op grond van art. 358, vierde lid, Sv slechts die wettelijke voorschriften te worden vermeld die de toegepaste verbods- en strafbepalingen inhouden en de onmiddellijke grondslag der veroordeling uitmaken, aldus HR 20 april 2010, LJN BL6724.(1)
11. Betoogd zou kunnen worden dat art. 182, eerste lid, Sr in zoveel woorden verwijst naar onder meer de wederspannigheid zoals in art. 180 Sr Pro omschreven en derhalve die wederspannigheid als delictsbepalend bestanddeel in zich sluit en aldus verstaan de wederspannigheid door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd zelfstandig strafbaar stelt. Alsdan vormt het bepaalde in art. 182 Sr Pro de onmiddellijke grondslag van de veroordeling.(2)
12. Verdedigbaar is evenwel ook de opvatting dat art. 182 Sr Pro in strafverhogende zin voortbouwt op het gronddelict van art. 180 Sr Pro en dat dan ingevolge art. 358, vierde lid, Sv ook art. 180 Sr Pro moet worden genoemd als toepasselijk wettelijk voorschrift waarop de veroordeling is gegrond.(3) Voor deze opvatting pleit dat art. 182 Sr Pro het gronddelict van art. 180 Sr Pro niet opnieuw omschrijft, maar dit slechts aanvult met een strafverzwarende omstandigheid.
13. De vraag is evenwel waartoe mijn hiervoor onder 11 en 12 gemaakte opmerkingen in cassatie hebben te leiden. Ik meen dat in beide gevallen het middel vruchteloos is voorgesteld en in de toekomst afgedaan zal kunnen worden met een aan art. 80a RO ontleende motivering.(4) Ook als het ervoor kan worden gehouden dat het Hof ingevolge art. 358, vierde lid, Sv tevens art. 180 Sr Pro als grondslag voor de opgelegde straf had dienen te vermelden, kan het desbetreffende verzuim eenvoudig door de Hoge Raad worden hersteld op grond van art. 441 Sv Pro. Daarbij wil ik overigens niet onvermeld laten dat de door het Hof opgelegde straf nog blijft binnen het strafmaximum dat is gesteld op overtreding van het bepaalde in art. 180 Sr Pro en er in dat opzicht geen sprake is van een daadwerkelijke verhoging van dit strafmaximum op grond van art. 182 Sr Pro, zodat ook in dit verband(5) verzoeker geen enkel belang bij cassatie heeft.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verbetering dan wel verbeterde lezing van het bestreden arrest voor zover daarin per abuis van opzetheling in plaats van schuldheling wordt gerept, eventueel tot vernietiging van het bestreden arrest indien en voor zover daarbij als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust ten onrechte niet art. 180 Sr Pro is vermeld, met dien verstande dat dan de Hoge Raad zelf als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust art. 180 Sr Pro vermeldt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie in dit verband ook de rechtspraak waaraan gerefereerd wordt in Melai/Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, aant. 5 op art. 441 Sv Pro.
2 In die richting lijkt het in de tekst genoemde arrest van HR 20 april 2010, LJN BL6724 te wijzen. Daarin werd geoordeeld dat bij toepassing van art. 311 Sr Pro of art. 312 Sr Pro niet tevens art. 310 Sr Pro aangehaald behoeft te worden.
3 Deze opvatting lijkt meer in lijn met HR 26 juni 2012, LJN BW9036, waarin geoordeeld werd dat bij toepassing van art. 420ter Sr tevens vermelding dient plaats te vinden van art. 420bis Sr (vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (onder 18 t/m 21) vóór dat arrest).
4 Zie onder meer HR 11 september 2012, LJN BX0129.
5 Zie hierboven onder 6.