ECLI:NL:PHR:2013:BY9684
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betaling geldlening uit nalatenschap ondanks gemeenschap van goederen
Deze zaak betreft een geschil over een geldleningsovereenkomst gesloten in 1994 tussen de moeder en haar zoon, waarbij na het overlijden van beide partijen de vraag rijst of de vordering uit die overeenkomst door de erfgenamen kan worden geïnd ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap.
De rechtbank Dordrecht en het hof 's-Gravenhage hebben geoordeeld dat de vordering terecht is ingesteld ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap van de moeder, ondanks het bepaalde in art. 3:190 BW Pro dat een deelgenoot niet afzonderlijk over zijn aandeel in de gemeenschap kan beschikken. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van de echtgenote af.
Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de geldleningsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat de handtekeningen op de akte niet bewezen vals zijn. Ook is overwogen dat de toestemming van de echtgenote ingevolge art. 1:88 BW Pro niet vereist was voor de geldleningsovereenkomst zelf, omdat de overeenkomst tot hypotheekverlening niet tot stand is gekomen.
De Hoge Raad benadrukt dat de vordering door de deelgenoten ten behoeve van de gemeenschap moet worden ingesteld en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de betaling van de schuld aan de deelgenoten ten behoeve van de gemeenschap geschiedt. De cassatiemiddelen falen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering uit de geldleningsovereenkomst rechtsgeldig is en ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap kan worden geïnd.