ECLI:NL:PHR:2013:BY9719
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafbaarheid bezit virtuele kinderpornografie volgens artikel 240b Sr
In deze zaak staat centraal de uitleg van het begrip 'schijnbaar betrokken' in artikel 240b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (oud), dat betrekking heeft op het bezit van kinderpornografisch materiaal, waaronder virtuele kinderporno. Verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld voor bezit van afbeeldingen die seksuele gedragingen van minderjarigen tonen, deels virtuele afbeeldingen. De verdediging betoogde dat de virtuele afbeeldingen niet realistisch genoeg waren om onder de strafbepaling te vallen.
Het hof oordeelde dat de wetgever met de toevoeging van 'schijnbaar betrokken' in 2002 de strafbaarstelling uitbreidde tot realistische virtuele afbeeldingen die niet van echte kinderporno te onderscheiden zijn. Niet-realistische, duidelijk gemanipuleerde afbeeldingen vallen hier niet onder. Het hof stelde vast dat de virtuele afbeeldingen in deze zaak niet realistisch waren en voor de gemiddelde kijker direct herkenbaar als gemanipuleerd, waardoor verdachte partieel werd vrijgesproken van deze tenlastelegging.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatiemiddel af. De Hoge Raad benadrukt dat de wetsgeschiedenis en internationale regelgeving de strafbaarstelling van virtuele kinderporno beperken tot realistische afbeeldingen. Niet-realistische virtuele afbeeldingen, zoals tekeningen of cartoons die niet levensecht zijn, vallen niet onder artikel 240b Sr. Ook internationale verdragen zoals het Facultatief Protocol verplichten niet tot een ruimere uitleg. De Hoge Raad onderstreept dat het OM moet bewijzen dat een afbeelding realistisch is en schijnbaar een minderjarige toont om strafbaarheid aan te nemen.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 240b Sr en bevestigt dat de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting zich richt op realistische afbeeldingen, waarbij de strafbaarstelling van virtuele kinderporno een aanvulling vormt op die van echte kinderporno. De zaak benadrukt het belang van nauwkeurige beoordeling van de aard van afbeeldingen in strafzaken rond kinderpornografie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat niet-realistische virtuele kinderpornografische afbeeldingen niet strafbaar zijn onder artikel 240b Sr en spreekt verdachte partieel vrij.