ECLI:NL:PHR:2013:BZ1410
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen afwijzing verzoek tot intrekking machtiging bewindvoerder in schuldsaneringsregeling
De zaak betreft een cassatieberoep van een schuldenaar tegen een beschikking van de rechtbank die het beroep tegen de machtiging van de bewindvoerder tot het starten van een procedure tegen de vader van de schuldenaar ongegrond verklaarde. De bewindvoerder had een procedure gestart wegens een mogelijke paulianeuze verkoop van de woning van de schuldenaar aan zijn vader.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van de schuldenaar een verkapt hoger beroep tegen een machtiging van de rechter-commissaris was en dat op grond van artikel 315 lid 2 Faillissementswet Pro (Fw) geen hoger beroep tegen een dergelijke beschikking mogelijk is, tenzij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. De schuldenaar stelde dat de rechtbank ten onrechte het appelverbod had toegepast en dat de bewindvoerder onvoldoende voortvarend was geweest.
De Hoge Raad bevestigt dat het appelverbod van artikel 315 lid 2 Fw Pro geldt en dat dit alleen kan worden doorbroken bij schending van fundamentele rechtsregels, hetgeen niet is gesteld of gebleken. Ook de stelling dat de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank materieel was beëindigd, leidt niet tot doorbreking van het appelverbod.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank standhoudt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep tegen de machtiging van de bewindvoerder wordt ongegrond verklaard.