ECLI:NL:PHR:2013:BZ1439
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van ambtsedig proces-verbaal als bewijs en ondervragingsrecht in zedenzaken
In deze zaak stond centraal de vraag of het gebruik van verklaringen van minderjarige slachtoffers, opgenomen in ambtsedige processen-verbaal zonder directe ondervraging ter terechtzitting, verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro.
Het hof had verzoeken van de verdediging om de minderjarige getuigen te horen gemotiveerd afgewezen op grond van deskundigenadviezen die stelden dat het horen van deze getuigen hun gezondheid of welzijn zou schaden. De verdediging betwistte deze adviezen en stelde dat het ontbreken van directe ondervraging een schending van het ondervragingsrecht betekende.
De Hoge Raad overwoog dat het gebruik van dergelijke verklaringen niet per definitie ongeoorloofd is, mits er een goede reden is voor de afwezigheid van de getuigen en de veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate op deze verklaringen is gebaseerd. Daarnaast moet er compensatie zijn geboden, bijvoorbeeld door onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen en steunbewijs uit andere bronnen.
In deze zaak vond het hof voldoende steunbewijs in andere verklaringen en is door deskundigen onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen. Het hof achtte de belangen van de minderjarige getuigen zwaarder dan het belang van directe ondervraging. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde hiermee de rechtmatigheid van het bewijsgebruik en de afwegingen van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling waarbij ambtsedige verklaringen van minderjarige getuigen zonder directe ondervraging als bewijs zijn gebruikt, mits compensatie is geboden en steunbewijs aanwezig is.