ECLI:NL:PHR:2013:BZ1453

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01072
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving kennisgeving dagvaarding aan raadsman in hoger beroep

In deze zaak is verdachte in hoger beroep bij verstek veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De raadsman van verdachte, mr. Moszkowicz, had zich tijdig als raadsman gesteld na terugwijzing door de Hoge Raad, maar door administratieve fouten is aan hem geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep verzonden. Hierdoor was hij niet op de hoogte van de zitting en kon verdachte zich niet verdedigen.

De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 51 Sv Pro, dat vereist dat een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman wordt gezonden, van groot belang is voor de verdediging. Niet-naleving van dit voorschrift leidt ertoe dat de zaak niet geldig kan worden behandeld in afwezigheid van verdachte en diens raadsman.

Het middel van cassatie slaagt dan ook en het arrest van het hof wordt vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, zodat verdachte alsnog de gelegenheid krijgt zich te verdedigen met bijstand van zijn raadsman.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van het voorschrift van art. 51 Sv en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 11/01072
Mr. Vellinga
Zitting: 29 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 2 februari 2010 (nr. 08/03504, LJN BK8947) - wegens "overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, zesde lid, van deze wet" veroordeeld een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zestien maanden.
2. Namens verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Doelmatigheidshalve bespreek ik eerst het tweede middel.
4. Het tweede middel klaagt onder meer dat in strijd met art. 51, tweede volzin, Sv is verzuimd een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep te zenden aan de raadsman van verdachte.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 februari 2011 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De verdachte, gedagvaard als (...)
is niet verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, is evenmin ter terechtzitting aanwezig. Hij heeft per fax. d.d. 1 februari 2011 kenbaar gemaakt niet te zullen verschijnen, nu hij in de afgelopen periode geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte, die hem ook zelf niet heeft benaderd over deze strafzaak. De raadsman trekt hieruit de conclusie dat hij de verdachte in de onderhavige strafzaak niet als advocaat kan bijstaan (het hof begrijpt: ook niet als gemachtigd raadsman)."
6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat mr. A. Moszkowicz zich in de onderhavige zaak na terugwijzing door de Hoge Raad bij faxbericht van 16 februari 2010, gericht aan de griffier van het gerechtshof te Amsterdam, als raadsman van verdachte heeft gesteld.
7. Bij de stukken van het geding, die door de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een brief van het hoofd van de strafgriffie van het gerechtshof te Amsterdam, inhoudende onder meer:
"Naar aanleiding van uw brief dd 10 maart 2011 in bovengenoemde zaak bericht ik u het volgende:
Het faxbericht van 16 februari 2010 waarin u meldt als raadsman in deze zaak op te treden is niet aangetroffen in het dossier met parketnummer 23000878-10.
Het faxbericht van u is gestuurd horende bij parketnummer 23006336-05.
De zaak is na terugverwijzing van de Hoge Raad ingeboekt onder parketnummer 23000878-10.
Dat neemt niet weg dat in de tijd dat de zaak onder parketnummer 23006336-05 hier geregistreerd stond de afdeling intake van het ressortsparket verantwoordelijk was voor de mutaties van de advocatuur in ons gezamenlijk registratiesysteem.
Het lijk mij toe dat dit destijds niet is gebeurd.
Dat is dan ook de reden waarom de dagvaarding van de zitting van 3 februari 2011 naar de vorige raadsman is verzonden.
Inmiddels bent u in ons systeem geregistreerd als raadsman in deze zaak."
De in deze brief genoemde, zich eveneens bij bedoelde stukken bevindende brief van 10 maart 2011 van mr. Moszkowicz, gericht aan de voorzitter van de meervoudige kamer van het gerechtshof te Amsterdam, mr. E. Mijnsberge, houdt onder meer in:
"Op 27 oktober 2009 heb ik de Hoge Raad bericht dat ik de zaak van mr. Nooitgedagt heb overgenomen. Op 28 december 2009 ben ik gedesisteerd, maar op 15 februari 2010 ben ik weer als raadsman van [verdachte] gaan optreden. Daarvan is kennis gegeven aan de Hoge Raad op 15 februari 2010 en op 16 februari 2010 (zie bijlage 1) is aan de griffier van het hof en (zie bijlage 2) aan de advocaat-generaal melding gedaan van het feit dat ik optrad voor [verdachte] in deze zaak, die op 2 februari 2010 naar het hof was terugverwezen.
In deze brief is melding gemaakt van het vigerende parketnummer en is melding gemaakt van het kenmerk van de Hoge Raad.
Vanaf dat moment heb ik niets van de zaak vernomen totdat mij via via (mr. Ronday-->mr. Nooitgedagt) ter kennis kwam dat [verdachte] door uw hof bij verstek veroordeeld was op 17 februari 2011. Er is cassatieberoep aangetekend. Met het oog op het voorgaande is in de akte rechtsmiddel opgenomen dat de thans onder parketnummer 23/000878-10 gekende zaak voorheen gekend was onder parketnummer 23/006336-05.
Met het oog op deze cassatieprocedure benodig ik van het hof een verklaring waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat hetgeen ik hierboven heb gesteld juist is, opdat aan de hand daarvan zal worden vastgesteld dat ik ten onrechte niet in kennis ben gesteld van de zitting van 3 februari 2011, en dus [verdachte] geen gelegenheid heeft gehad om zich te -doen- verdedigen."
De door mr. Moszkowicz genoemde, zich eveneens bij bedoelde stukken bevindende, aan de brief van 10 maart 2011 gehechte kopie van de brief van 16 februari 2010 van mr. Moszkowicz, gericht aan de griffier van het gerechtshof te Amsterdam, houdt in:
"Hierbij bericht ik u dat ik in opgemelde zaak als raadsman optreed voor:
[Verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]
wonende te ([woonplaats] aan de [a-straat 1].
Opgemelde zaak is door de Hoge Raad op 2 februari 2010 terugverwezen naar uw Hof.
Ik moge u verzoeken mij zo tijdig mogelijk op de hoogte te stellen van de data en uren waarop in deze zaak de behandelingen zullen plaatsvinden.
Tevens verzoek ik u mij te doen toekomen afschriften van alle stukken waarmee het dossier nog zal worden aangevuld."
In het hoofd van deze brief staat vermeld:
"Inzake: [verdachte]/OM
Parketnummer: 23/006336-05
Zaaknummer: S08/03504"
8. Uit deze brieven gelezen in onderling verband en samenhang vloeit het ernstig vermoeden voort dat mr Moszkowizc zich tijdig voor de behandeling in hoger beroep na terugwijzing als raadsman van verdachte heeft gesteld. Zoals immers in de brief van de griffier van het gerechtshof van 10 maart 2011 besloten ligt moet de stelbrief, waarop mr. Moszkowicz zich beroept en waarvan de griffier niet betwist dat deze door het Hof is ontvangen, in het ongerede zijn geraakt omdat in de stelbrief het parketnummer van de zaak vóór behandeling door de Hoge Raad is gebezigd terwijl het Hof de zaak na terugwijzing een ander parketnummer heeft gegeven. Daarbij teken ik aan dat de griffier niet stelt dat de raadsman van het nieuwe parketnummer op de hoogte is gesteld terwijl ook uit de op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad gezonden stukken niet blijkt dat de raadsman daarvan op de hoogte is gebracht dan wel daar anderszins op bedacht had moeten zijn.
9. Bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een dubbel van de dagvaarding in hoger beroep waarop is aangetekend dat op 8 december 2010 een afschrift van die dagvaarding aan de raadsman is verstrekt. Bij brief van 1 februari 2011 die zich eveneens bij die stukken bevindt, deelt mr. R.F. Ronday mee dat hij in de afgelopen periode geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen, daarom de verdachte in de onderhavige zaak niet zal bijstaan en niet ter terechtzitting van 3 februari 2011 zal verschijnen. Op grond van het voorgaande kan uit op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad gezonden stukken niet blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan mr. Moszkowicz is gezonden. Derhalve moet het er in cassatie voor worden gehouden dat dat niet is geschied.
10. Uit een en ander vloeit voort dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat mr. A. Moszkowicz zich in hoger beroep na terugwijzing als raadsman van verdachte heeft gesteld doch dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv ten aanzien van hem niet is nageleefd. Dit in het belang van de betrokkene gegeven voorschrift is van zo grote betekenis, dat, al wordt dat niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de betrokkene en diens raadsman in de weg te staan.(1)
11. Het middel slaagt.
12. Het voorgaande brengt mee dat het eerste middel buiten bespreking kan blijven.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 O.m. HR 31 mei 2011, LJN BQ2467.