ECLI:NL:PHR:2013:BZ1477
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorlopige machtiging op grond van stoornis geestvermogens en gevaar
De zaak betreft een verzoek tot voorlopige machtiging op grond van artikel 2 Wet Pro Bopz, waarbij betrokkene werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis wegens een stoornis van de geestvermogens. De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene een lichte verstandelijke handicap heeft gecombineerd met een gebrekkige sociaal-emotionele ontwikkeling, wat leidt tot een bijna zekere terugval in crimineel gedrag en middelengebruik.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte een stoornis had aangenomen en dat het gevaar onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet gebonden was aan de DSM-IV-criteria en dat de vastgestelde stoornis feitelijk was en voldoende gemotiveerd. Ook het gevaar, waaronder het risico van misbruik in het criminele circuit en maatschappelijke teloorgang, was begrijpelijk en voldoende onderbouwd.
De Hoge Raad benadrukte dat het oordeel van de rechtbank over het oorzakelijk verband tussen stoornis en gevaar controleerbaar en aanvaardbaar is. Het cassatieberoep faalt, en de voorlopige machtiging blijft in stand. Hiermee wordt bevestigd dat een verstandelijke handicap en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand onder de Wet Bopz kunnen vallen als stoornis met gevaar voor betrokkene en de samenleving.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz blijft van kracht.