ECLI:NL:PHR:2013:BZ2903
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding en erfdeel buiten gemeenschap
In deze zaak staat de vraag centraal of een erfenis, die de vrouw na het overlijden van haar moeder verwierf en vervolgens verwierp, deel uitmaakt van de na echtscheiding te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw was voor een kwart eigenaar geworden van een woning in Zwitserland, die binnen de gemeenschap van goederen viel. De verkoopopbrengst van deze woning werd gebruikt voor de kosten van het verzorgingshuis van de grootmoeder, die volgens Zwitsers recht onderhoudsplichtig waren voor haar kleinkinderen.
Na het overlijden van de grootmoeder verwierp de vrouw haar nalatenschap. De man stelde dat het resterende deel van de verkoopopbrengst onderdeel was van de nalatenschap en daarmee van de gemeenschap, terwijl de vrouw dit betwistte. Het hof oordeelde dat de vrouw slechts het bedrag van CHF 51.499,37 had ontvangen en dat de verwerping van de nalatenschap geen afbreuk deed aan de aanspraak van de man, omdat de vrouw de gemeenschap zonder zijn toestemming had benadeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man tegen het oordeel van het hof klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO. De zaak benadrukt de juridische complexiteit rond de verdeling van vermogen en erfenissen binnen een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.