ECLI:NL:PHR:2013:BZ4096
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stelplicht en bewijslast bij ontbinding en baten van besloten vennootschap
In deze zaak staat centraal of een ontbonden besloten vennootschap (Ongo B.V.) ten tijde van haar ontbinding nog over baten beschikte, hetgeen van belang is voor de vraag of zij is opgehouden te bestaan. Verweerster had executoriaal beslag gelegd op aandelen van verzoekster, die enig aandeelhouder en bestuurder was van Ongo. Verweerster verzocht op grond van art. 474g Rv. toestemming tot verkoop van deze aandelen. Verzoekster voerde verweer dat Ongo bij ontbinding geen baten meer had en daardoor was opgehouden te bestaan.
De rechtbank en het hof stelden dat verzoekster een verzwaarde stelplicht had om te bewijzen dat Ongo geen baten meer bezat, mede omdat zij pas na het beslag tot ontbinding had besloten en beschikte over de boekhouding. Verzoekster had geen door een accountant opgestelde jaarstukken gedeponeerd, wat het hof meewoog. Het hof bekrachtigde het verlof tot verkoop van de aandelen.
In cassatie werd betoogd dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had over de stelplicht en bewijslastverdeling, en dat de vraag naar het bestaan van baten uitsluitend in een procedure tot heropening van de vereffening op grond van art. 2:23c BW kan worden behandeld. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de ontbonden vennootschap ook in andere procedures kan worden aangesproken op het bestaan van baten, waarbij de rechter met terughoudendheid toetst of het bestaan van baten voldoende aannemelijk is gemaakt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlof tot verkoop van de aandelen wordt bekrachtigd.