ECLI:NL:PHR:2013:BZ4188
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoekers hebben een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend, maar de rechtbank wees dit af omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden, waaronder aanzienlijke verkeersboetes en onverzekerd rijden.
In hoger beroep handhaafde het hof dit oordeel. Verzoekers stelden dat de schuld aan het CJIB vooral was ontstaan door een fout van hun verzekeringsmaatschappij, maar zij konden niet aantonen dat de premies waren betaald. Bovendien bleven zij onverzekerd rijden ondanks boetes. Het hof oordeelde dat verzoekers onvoldoende controle hadden over de omstandigheden die tot de schulden leidden en dat zij nog niet aantoonbaar waren begonnen met aflossen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de afwijzingsgrond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro strikt wordt toegepast. Ook het beroep op artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro faalde omdat verzoekers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle hadden gekregen. De Hoge Raad benadrukte dat verzoekers later opnieuw een verzoek kunnen indienen als zij hun situatie verbeteren.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.