ECLI:NL:PHR:2013:BZ4480
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsgebruik en recht op ondervraging bij poging tot moord en bedreiging
De zaak betreft de verdachte die werd veroordeeld voor bedreiging en poging tot het bewegen van een ander tot moord. Centrale vraag was of de verklaring van een onvindbare getuige, die niet door de verdediging kon worden ondervraagd, als bewijs mocht worden gebruikt.
De rechtbank had de verklaring van deze getuige uitgesloten wegens gebrek aan steunbewijs, maar het hof gebruikte deze verklaring wel als bewijs omdat het voldoende steun vond in andere bewijsmiddelen. De verdediging stelde dat dit in strijd was met het recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad bevestigde het toetsingskader dat een verklaring van een niet-ondervraagde getuige gebruikt mag worden indien er een goede reden is voor diens afwezigheid en voldoende steunbewijs bestaat. In deze zaak was de getuige ondanks uitgebreide pogingen onvindbaar, en vond het hof voldoende steunbewijs in andere verklaringen en bewijsmiddelen. De Hoge Raad oordeelde dat hiermee geen schending van art. 6 EVRM Pro was.
Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, wat leidde tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafmaat betreft. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Veroordeling bevestigd, maar strafmaat vernietigd wegens overschrijding redelijke termijn.