ECLI:NL:PHR:2013:BZ5422
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereisten en waarborgen bij voorlopige machtiging gesloten jeugdzorg volgens artikel 29c Wjz
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen de voorlopige machtiging tot verblijf in gesloten jeugdzorg van een minderjarige, verleend zonder instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper gebaseerd op persoonlijk onderzoek, vanwege feitelijke onmogelijkheid daarvan.
De Wet op de Jeugdzorg (Wjz) regelt de machtiging voor gesloten jeugdzorg, waarbij een voorlopige machtiging kan worden verleend in spoedeisende situaties zonder indicatiebesluit, mits een verklaring van BJZ of de Raad en een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper aanwezig is, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.
De Hoge Raad bespreekt of bij onmogelijkheid van persoonlijk onderzoek een op dossieronderzoek gebaseerde instemmingsverklaring vereist is. De conclusie is dat deze in beginsel wel vereist is, maar dat de rechter gemotiveerd kan afwijken met het oog op het belang van de jeugdige. De zaak wordt terugverwezen voor nadere motivering over het ontbreken van een dergelijke verklaring.
De uitspraak benadrukt het belang van waarborgen bij vrijheidsbeneming van jeugdigen en de rol van de gedragswetenschapper als toetsingsinstrument, waarbij spoedeisendheid en praktische haalbaarheid ook meewegen.
De Hoge Raad bevestigt dat voor een voorlopige machtiging geen indicatiebesluit nodig is, maar wel een verklaring dat het geval zich voordoet, en dat de instemmingsverklaring een belangrijke waarborg vormt, ook bij spoedeisende plaatsingen.
Uitkomst: De voorlopige machtiging tot verblijf in gesloten jeugdzorg is vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het ontbreken van een op dossieronderzoek gebaseerde instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper.