ECLI:NL:PHR:2013:BZ5779
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van de keuzeregeling voor binnenlandse belastingplichtigen en verdragsrechtelijke grenzen
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, heeft gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen op grond van artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Het geschil betreft of Nederland de pensioenuitkeringen en het eigenwoningsaldo van belanghebbende in de heffing mag betrekken.
Het Hof oordeelde dat Nederland op grond van het belastingverdrag met Duitsland niet bevoegd is deze inkomsten in de Nederlandse belastinggrondslag op te nemen, verwijzend naar het grensambtenaararrest (HR BNB 1980/170) en andere jurisprudentie. Het Hof stelde dat het enkel kiezen voor binnenlandse belastingplicht geen afstand betekent van verdragsrechten.
De Staatssecretaris betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Nederland deze inkomsten niet mag belasten en dat belanghebbende zijn persoonsgebonden aftrek volledig kan toepassen. De Procureur-Generaal concludeert dat de keuzeregeling niet in strijd is met het EU-recht, maar dat Nederland de verdragsbepalingen moet respecteren en negatieve buitenlandse inkomsten niet in de Nederlandse grondslag mag betrekken.
De zaak behandelt de verhouding tussen nationale keuzeregelingen en internationale verdragsbepalingen, de toepassing van het Schumacker-arrest en de grensambtenaararrest, en de wijze waarop dubbele belasting voorkomen moet worden. De discussie omvat ook de juridische interpretatie van persoonlijke aftrekken en progressievoorbehoud binnen het keuzeregime.
Uitkomst: Nederland mag pensioenuitkeringen en het eigenwoningsaldo van de in Duitsland gelegen woning niet betrekken bij het belastbaar inkomen van een buitenlandse belastingplichtige die kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.